Bron: Bijlage van Zwolse Courant april/mei 1985.
Gedigitaliseerd door Henk van Dijken uit Coevorden.
DE BEVRIJDING VAN NOORD- EN OOST- NEDERLAND

Het noorden en oosten van ons land werden veertig jaar geleden bevrijd. Het waren vooral Canadezen die de Duitsers verjoegen uit Veluwe, Salland, Noord- en Oost-Overijssel. Zij betaalden daarvoor een hoge prijs. Bij de laatste operaties van de tweede wereldoorlog leden de Canadezen bijna 10 procent van hun totale verliezen, die van 6 juni 1944 tot het einde 11.336 doden 44.339 gewonden bedroegen. In deze regio waren het de inwoners van Gramsbergen en Hardenberg (6 april 1945) die als eersten de bevrijders mochten begroeten; zo'n twee weken later, 19 april konden de mensen uit Epe, Elburg en Nunspeet hetzelfde doen als de laatsten in deze regio. Twee dagen na Gramsbergen en Hardenberg (exclusief Heemse), op 8 april, was De Wijk vrij, op 9 april Lutten en Slagharen, op 10 april Dedemsvaart; op 11 april Ommen, Witharen, Balkbrug en Heemse (vijf dagen later dan de rest van Hardenberg); op 12 april Steenwijk, Vledder en Heino, op 13 april Havelte, Ruinerwold, Meppel, Nijeveen, Dalfsen, Wijhe, Olst en Nieuwleusen; op 14 april Zwolle, Staphorst, Genemuiden, Hasselt en de toenmalige gemeenten in het huidige IJsselham; op 15 april Vollenhove, Giethoorn (en ook de voormalige gemeenten in Brederwiede) en Zwartsluis; op 17 april Kampen, Emmeloord, Heerde en Oldebroek (op deze dag kwam in Hattem de eerste drie geallieerden; de bevolking werd pas op de negentiende toegestaan te vlaggen) en zoals gesteld, op 19 april Nunspeet, Elburg en Epe (de genoemde data zijn ons desgevraagd verstrekt door de gemeentehuizen.) In dit bestek worden de militaire operaties in Gelderland, Overijssel en Drenthe in grote lijnen gevolgd.

De bevrijding van Oost-en Noord-Nederland was een laat, maar wel logisch gevolg van de in september 1944 deels zo jammerlijk mislukte operatie Market Garden. Het verliep overigens wel in een uiterst korte tijd, zo'n drie weken, de Veluwe inbegrepen. Slechts het westen, de Festung Holland, moest langer onder barre omstandigheden voortleven. Nederland werd bevrijd door het Eerste en Tweede Canadese legerkorps, aangevuld met een Britse divisie en een Poolse tankdivisie en Belgische militairen.

Nadat de vaste oeververbinding over de Rijn in de meest letterlijke zin een brug te ver was gebleken, liep de opmars vanuit het reeds bevrijde zuiden vast in de modder van het gedeeltelijk onder water gezette rivierengebied. Na het mislukken van Market Garden liep de frontlijn in december '44 dwars door Limburg en Noord-Brabant. Zeeland was op Schouwen-Duiveland na bevrijd, maar er waren ook nog stukken niemandsland tussen de grote rivieren, in de Biesbosch en midden Limburg. Terwijl er bij de frontlijn kleine militaire schermutselingen plaatsvonden, waren er ook de bevrijdingsfeesten in het zuiden, compleet met de jacht op NSB'ers, collaborateurs, moffenmeiden en andere 'verdachte individuen'.

De wintermaanden stonden vooral in het teken van de honger en de koude, maar ook van een oplaaiend verzet met als antwoord terreur. De Duitse bezetters sleepten zoveel mogelijk waardevolle spullen weg en hun blokkade van voedsel vanuit het noorden en oosten dupeerde de bewoners in het westen. Het wachten was op het oprukken van de geallieerde troepen.

Aanloop

En toen medio februari de geallieerde oorlogsmachine weer op gang kwam, leek die een voor de bezette delen van Nederland de verkeerde kant op te rollen: vanuit het Nijmeegse Duitsland in. En toch was die operatie in zekere zin de aanloop voor de latere opmars door Oost-en Noord-Nederland.

Veldmaarschalk Montgomery wilde graag doorborduren op dat oude stramien van Market Garden: een Rijn-overgang forceren bij Arnhem en dan doorstoten naar het IJsselmeer, waardoor West-Nederland vanuit Duitsland niet bereikbaar zou zijn, en omgekeerd. De geallieerde staf besloot evenwel een dergelijke operatie pas uit te voeren als twee acties (Veritable en Plunder) in het Rijnland tot een goed einde zouden zijn gebracht. Zij wilden namelijk-met het Ardennenoffensief van Von Rundsted nog vers in het geheugen- niet de kans lopen, dat door een Duits tegenoffensief richting Arnhem noordelijker opererende eenheden zouden worden afgesneden van de hoofdmacht.

De Duitse bevelhebber in ons land, Blaskowitz, zag de bui hangen, vreesde een afsnijding van zijn moederland en wilde eigenlijk zijn troepen over de grens terug trekken. Maar Hitler sommeerde hem zijn 24e leger in Nederland te houden.

Betuwe

Op 23 maart trokken de Britten onder Montgomery bij Wesel de Rijn over. Dat was voor de commandant van het Eerste Canadese Leger, generaal Harry D.G. Crerar, het sein om zijn korps via Nijmegen de Betuwe in te sturen voor het opruimen van de laatste Duitse weerstandsnesten in dat gebied (operatie Destroyer). Deze Canadezen moesten oprukken tot vlak voor Arnhem en dan westelijk van die stad de Rijn oversteken, ongeveer op de plaats waar het restant van de Britse luchtlandingsdivisie dat eerder in tegengestelde richting had gedaan (operatie Quick Anger). Tegelijkertijd zou het Tweede Canadese Legerkorps rechts van de Rijn vanuit Duitsland de Achterhoek en Liemers binnentrekken om door te stoten naar de IJsselstreek. Dit legerkorps kreeg voorts de taak tussen Doesburg en Deventer de IJssel over te steken (operatie Cannonshot). Vanuit beide bruggehoofden (westelijk en oostelijk van Arnhem dus) zou vervolgens met een soort tangbeweging de Veluwe worden veroverd (operatie Cleanser). Zodoende moest een gebied van de Duitse Ems tot IJsselmeer bezet worden. Werd het gebied tussen de IJssel en de Duitse grens grotendeels bevrijd door divisies van het tweede Canadese Legerkorps, voor grote delen van de Veluwe waren eenheden van het Eerste Canadese Legerkorps de feitelijke bevrijders.

Vrije stad

Coevorden was al op 5 april in Canadese handen gevallen. Op 6 april volgden Gramsbergen en Hardenberg (zonder Heemse, dat op 11 april door de eerste Poolse divisie werd bevrijd. Op 8 april 's morgens om tien uur was De Wijk weer een vrije stad. In de nacht van 7 op 8 april werden in de driehoek Groningen-Zwolle- Coevorden zo'n 700 Franse en Belgische parachutisten neergelaten ter ondersteuning van de grondtroepen en van de ondergrondse strijdkrachten (codenaam Amherst). Die para's maakten deel uit van de Special Air Service (SAS) troepen. Zij stichten in groepjes van tien ŗ vijftien man enorme verwarring in de Duitse gelederen die op die manier niet meer precies wisten welke kant zij op moesten vechten. Het grote probleem van die uit de lucht geworpen troepen was, dat zij geen beschikking hadden over jeeps, een oorlogsvervoermiddel van de geallieerden, dat op alle manieren zijn dienst had bewezen. De parachutisten in Drenthe moesten dus eerst wachten tot die jeeps uit Overijssel 'over land' waren aangevoerd. Niettemin weerden die para's zich geducht. Zo werd het dorp Spier in de buurt van Beilen door veertig van deze mannen verdedigd tegen een vijfvoudige Duitse overmacht die uit Assen daar ijlings naar toe gebracht was. Bij die 'individuele' aanval, die veel te vroeg was ingezet, konden de mannen alleen maar gered worden doordat het achtste Canadese verkenningsregiment net op tijd kwam.

Drenthe

Vanaf 10 april kwam de bevrijding van Drenthe pas goed op gang. Poolse troepen trokken Emmen binnen en bogen die dagen erna af naar het noorden, richting Winschoten. De Canadezen rukten via Hoogeveen op naar Beilen (12 april) en Assen, dat op de 13e werd bevrijd. De tegenstand varieerde van nauwelijks waarneembaar tot bijzonder fel. Ook op 12 april werd Westerbork, het doorgangskamp voor joden, veroverd, waarbij de Canadezen openlijk hun grote schrik over de wantoestanden kenbaar maakten. Vanaf het begin bestond bij de geallieerden het plan om de twee vliegvelden bij Steenwijk in handen te krijgen. Zelfs in officiŽle geschriften worden deze twee vliegvelden genoemd, waarmee naar alle waarschijnlijkheid het ene bij Havelte wordt bedoeld. Dit vliegveld zou tijdens de oorlog worden uitgebouwd tot een van de grootste van het Europese bezette gebied. Ontelbaren werden er verplicht te werk gesteld, maar zover is na te gaan heeft de landingsbaan nooit helemaal aan zijn doel beantwoord. Regelmatig kwamen enkele geallieerde bommenwerpers om de zaak plat te gooien en zo kregen de bevrijders slechts een veld in handen dat 'vol kleine kraters' was en als zodanig 'waardeloos voor enige actie', zoals ze het zelf noemden.

Bekeken

In Steenwijk zelf ontwapende de ondergrondse op 10 april de Duitse bezettende macht; op 12 april zaten de Canadezen op het landgoed De Bult. De Duitsers schoten toen nog van de toren van de Grote Kerk op de geallieerden, maar toen deze vijf granaten op dezelfde toren afvuurden, hadden de Duitsers het wel bekeken. Zij gaven de strijd op en Steenwijk was vrij. Het 17e Duke of York's Royal Canadian Hussars trok door Steenwijk richting Leeuwarden. Meppel kwam er in wezen best af. Het leek aanvankelijk niet zo goed want een fanatieke Jeugdstormcompagnie van de Landwacht bewaakte tot 8 april de staf die in Meppel gehuisvest was. In de buurt hadden schermutselingen plaats, zoals bij Staphorst waar hotel Waanders en enkele boerderijen in vlammen opgingen. Maar in de ochtend van 9 april maakte het 18e Armoured Car Regiment van de Canadezen contact met de Franse para's bij Meppel, waarna de Duitsers verdwenen naar Friesland en de Afsluitdijk.

Conto

Op 9 april werden Lutten en Slagharen bevrijd, op 10 april Dedemsvaart. De Tweede Infanterie Divisie, onderdeel uitmakend van de vijfde Canadese brigade, opereerde tussen de derde (infanterie) en de vierde (tank)divisie in. Onderdelen van deze Canadese eenheid zetten de bevrijding van onder andere Laren, Holten en Ommen (11 april) op hun conto. Diezelfde 11e april volgden ook Witharen en Balkbrug. Hoe snel het ging blijkt wel uit een mededeling in een rapport dat in het heetst van de strijd de tweede Canadese divisie meer dan 130 km op een dag vorderde en dat de doorstoot soms zo vlug ging dat de begeleidende RAF-vliegtuigen die de vijand moesten beschieten het tempo vaak niet bij konden houden en zodoende niet precies wisten wie of wat ze moesten ontregelen. Actie Kanonschot heette de handeling die er voor moest zorgen dat de Veluwe bevrijd werd en dat het westen, de legers van Blaskowitz, afgesneden werd van de rest. Op 12 april trok een Canadese legereenheid onder bevel van generaal Foulkes bij Brummen de IJssel over, waarna de aanval op Arnhem werd ingezet. Die stad viel spoedig in handen van de geallieerden. Foulkes trok verder in de richting van de Grebbelinie, al moesten enkele Canadese eenheden naar het noorden, maar anderen, waaronder Britten, konden over het Apeldoorns kanaal trekken en bleven dus op de Veluwe. Naast Steenwijk werd op 12 april ook Vledder en Heino ontzet, Havelte, Ruinerwold, Meppel, Dalfsen, Nijeveen, Wijhe, Olst en Nieuwleusen een dag later.

Zwolle

De zevende Canadese brigade, die eerst Zwolle een dag letterlijk links had laten liggen verscheen op 14 april voor die stad. Met vooral veel steun van persoonlijke verkenningsactie van soldaat Leo Major van het Regiment de la ChaudiŤre, kon die brigade de Overijsselse hoofdstad bevrijden. Diezelfde dag ook werden Staphorst, Genemuiden, Hasselt en de voormalige gemeenten in het huidige IJsselham bevrijd. Voorhoedes stonden toen al in Friesland, Drenthe en Groningen. Vollenhove, Giethoorn en Zwartsluis moesten wachten tot 15 april, Kampen, Emmeloord, Heerde en Oldebroek tot de zeventiende. Op de 17e april waren er in Hattem drie geallieerden, de bevolking mocht twee dagen later pas de vlag uitsteken. Epe, Elburg en Nunspeet volgenden tenslotte op 19 april. Met de verovering van het grootste gedeelte van de IJsselmeerkust nam echter de bedreiging van vier miljoen in het westen levende mensen toe: de voedseltransporten via het meer kwamen vrijwel tot stilstand. De nog aanwezige Duitse troepenmacht was te groot om geheel Nederland in korte tijd te bevrijden. Bovendien hielden de geallieerden rekening met onderwaterzetting. De Duitsers zouden ongetwijfeld de dijken opblazen om de opmars te stuiten. Dat zou onvoorstelbare gevolgen hebben voor de hongerende bevolking.

Nijpend

Na 14 april liep de aanvoer van levensmiddelen via het IJsselmeer terug van ruim 16.000 naar net 1000 ton. De situatie werd nijpend. Het voedsel zou begin mei definitief op zijn. Er kwamen besprekingen tot stand tussen het College van Vertrouwensmannen en Binnenlandse Strijdkrachten enerzijds en Duitse autoriteiten anderzijds. Met Seyss-Inquart werd medio april zelfs een onofficiŽle wapenstilstand overeengekomen. Duitse belofte geen represail- les en vernielingen meer, aanvoer van voedsel en steenkool zou worden toegestaan. Die toezeggingen bleken niet veel waard, de executies gingen door en op 17 april zetten de Duitsers de Wieringermeer onder water. Na zware protesten hielden de executies op. De felle tegenstand werd al in de nacht van 16 op 17 april minder. De Canadezen gaven de Duitsers weinig of geen gelegenheid tot hergroeperen. Hier en daar waren samenraapsels van bezettingseenheden nog verwoed bezig met graven van mitrailleurnesten als de pantserwagens of brencarriers al aan kwamen stuiven. Steeds vlotter gingen de 'feldgraue' armen omhoog.

Op 17 april was geheel Apeldoorn in geallieerde handen en gaven ook geÔsoleerde Duitse eenheidjes in de IJsselstreek zich over. Daarmee was de bevrijding van heel Oost-Nederland een feit. Overal werden de bevrijders tegemoet getreden door duizenden enthousiaste Nederlanders. In een tijdsbestek van nauwelijks drie weken hadden de Canadezen -niet zelden met daadwerkelijke steun van ondergrondse en burgerij- elke vorm van Duits verzet gebroken. Op 26 april sprak Eisenhower de verlossende woorden waardoor Seyss-Inquart en zijn militaire bevelhebbers werden benaderd voor directe besprekingen. De 28e en 30e april werd uiteindelijk in Achterberg onderhandeld. Op de tussenliggende dag, 29 april, verschenen dan eindelijk de eerste vliegtuigen met voedsel boven de bedreigde gebieden. De besprekingen leidden er mede toe, dat op 2 mei de eerste konvooien over de weg bezet gebied in mochten. Seyss-Inquart verdween direct na de laatste besprekingen naar Duitsland. Hij liet de verdere onderhandelingen, over capitulatie van de Duitse troepen, over aan generaal Blaskowitz. Die tekende om half vijf op 5 mei in hotel De Wereld in Wageningen het document waarmee Nederland dan eindelijk helemaal bevrijd was.

'EEN DONKERE SCHADUW OP HET LICHT DER BEVRIJDING'

Het is 6 april 1945, omstreeks 13.00 uur. Sinds begin oktober 1944 houd ik mij als 16-jarige schuil in mijn ouderlijk huis in de Molstraat, omdat ik geweigerd heb mij te melden bij de O.T. (Organisatie Todt) voor het verrichten van graafwerkzaamheden nabij Hasselt. Ik kijk uit het raam en zie een weer opgedoken Dedemsvaartse politieman - ondanks het fraaie lenteweer - gekleed in een dikke winterjas, in de richting van de Langewijk lopen. Later zou blijken dat onder die dikke jas eens stengun verborgen zat, het wapen bij uitstek van de 'ondergrondse'. In de eerste dagen van april 1945 werden de geruchten steeds heviger, dat we spoedig zouden worden verlost van de nazi-terreur en dat het uur der bevrijding met rasse schreden naderde. Uit voorzorg had ik in de kelder van ons huis een aantal zitplaatsen gemaakt en een voorraadje voedsel en drinken aangelegd. Men kon niet weten, wat er zou gaan gebeuren. Plotseling klonken er gedurende enkele ogenblikken schoten, even later gevolgd door twee luide explosies. De bruggen over de Langewijk en de Kalkoven waren door de Duitsers opgeblazen.

Toen het schieten voorbij was ging ik naar buiten en zag dat een gewonde Duitse militair op een draagbaar werd gelegd en werd afgevoerd.Ik kan mij nog herinneren, dat een andere Duitser, die inmiddels door de B,S. (Binnenlandse Strijdkrachten) ontwapend en krijgsgevangen was gemaakt, tot hem zei: "Alles gute Fritz, ich werde deine Frau schreiben, mach dir keine Sorgen". of woorden van gelijke strekking.

Op het dak van de Tuinstraatschool had de Duitse bezetting van Dedemsvaart, bestaande uit een klein aantal oudere Luftwaffesoldaten, onder bevel van hun commandant Platzner, sinds de zomer van 1940 een uitkijk- en meldingspost betrokken. Vanuit deze post werden de vluchten van de geallieerde luchteskaders, die op weg waren voor bombardementsaanvallen op Duitsland doorgegeven. Op het dak van de school bevond zich ook een vrij grote schijnwerper, die, voorzover ik mij kan herinneren, gedurende de gehele oorlog, praktisch niet is gebruikt. Ik hoorde dat de schijnwerper aan diggelen is werd geslagen en ik zag even later dat de Duitsers via de buitentrap haastig de school verlaten.

Enkele ogenblikken daarna werd er verteld, dat op de Markt in Dedemsvaart, de Duitsers door de Canadezen krijgsgevangen waren gemaakt. Mijn broer en ik liepen snel naar de Markt en we zagen inderdaad Platzner en zijn handlangers breedgrijnzend zitten op een Canadese gevechtswagen. Voor hen 'war der Krieg vorŁber'. Ik kreeg niet de indruk dat de Duitsers er rouwig om waren, dat ze krijgsgevangen waren gemaakt. Het toenmalige hoofd van de Openbare MULO-school aan de Julianastraat, Jan de Haan, fungeerde als tolk voor de bevrijders. In de namiddag van vrijdag 6 april 1945 trokken de Canadezen zich in oostelijke richting terug om zich weer bij hun hoofdmacht te voegen. Vanaf dat moment was Dedemsvaart geworden tot een soort niemandsland en in de loop van die dag drong het fatale bericht tot ons door, dat er negen mannen in Balkbrug waren gefusilleerd. Waar enerzijds grote vreugde heerste in Dedemsvaart, omdat de lang verwachte bevrijding praktisch een feit was, trof men anderzijds groot verdriet en ellende aan in die gezinnen, waar op het allerlaatste moment vader, zoon of broer door de meedogenloze vijand waren vermoord.

Grote ontroering maakte zich van velen meester. Een donkere schaduw was gevallen op het licht van de bevrijding. Zondag 8 april verliep aanvankelijk vrij rustig. Met twee vrienden ging ik die middag een eind wandelen. We liepen op de Langewijk ter hoogte van het huis van Theo de Lange, toen er plotseling weer schoten vielen. We bedachten ons geen moment en renden bij de familie De Lange de tuin in, waar een grote schuilkelder was gebouwd. In deze schuilkelder hebben we ongeveer een uur doorgebracht. Later bleek dat een kleine groep Duitsers naar het niemandsland was teruggekeerd en daar in het wilde weg was begonnen te schieten. Van de gebeurtenissen op maandag 9 april kan ik mij niet veel meer herinneren.

Dinsdag 10 april werd op diverse plaatsen in Dedemsvaart de proclamatie van H.M. Koningin Wilhelmina aangeplakt, dat Dedemsvaart nu officieel bevrijd was en dat het bevrijde deel van Nederland voorlopig onder het zogenaamde Militaire Gezag stond. De vlag moest uitgestoken worden. We bezaten thuis echter geen vlag meer. Geen nood! Een laken werd in drie banen geknipt en elke baan werd in een verfbad gestopt en klaar was onze nationale driekleur! De kleuren waren weliswaar niet erg getrouw, maar wie daar toen op lette was een kniesoor. Kort na de bevrijding trokken elke avond grote aantallen mensen naar de woning van Pieter Rommert Hazenberg aan de Langewijk 196, die het radiodistributienet voor Dedemsvaart en omgeving exploiteerde. Hazenberg had Luidsprekers aan zijn woning bevestigd en zo kon men de nieuwsberichten van Radio Oranje, die 's avonds om 7 uur vanuit Londen werden uitgezonden goed volgen. Ik kan mij nog goed herinneren, dat er aan het einde van iedere nieuwsuitzending een aantal berichten in code werden doorgegeven, bestemd voor de verzetsorganisaties in het nog niet bevrijde gedeelte van Nederland. Een iedere avond steevast terugkerende bericht luidde: 'dat de melk overkookte'. In de middag van dinsdag 10 april reden grote colonnes geallieerde voertuigen, waaronder veel tanks, vrachtwagens, (zogenaamde 'drietonners'), jeeps en 'bren-carriers' over de Langewijk in westelijke richting. Deze gigantische stroom militaire voertuigen hield uren aan.

Bijzonder tragisch was het, dat een Dedemsvaarts jongetje, in zijn enthousiasme om alle goed te kunnen volgen, door een militair voertuig werd overreden en hierbij helaas om het leven kwam. Wat valt er verder nog meer te vertellen, hoe ik persoonlijk de bevrijding van Dedemsvaart heb beleefd. Mensen, die met de vijand samen hadden gewerkt, werden geÔnterneerd; ruilhandel met de bevrijders bedrijven; eieren voor sigaretten als'Player's Navy Cut, Sweet Corporal en Wild Woodbine; voor het eerst sinds jaren weer een stukje chocolade proeven en je tanden zetten in de harde canadese biskwie; onderduikers, die weer boven water kwamen; het zien van personenauto's die jarenlang onder het hooi verborgen waren gehouden, maar bovenal: Grote volksfeesten van een omvang, zoals er later nooit meer in Dedemsvaart zouden plaatsvinden; optochten met versierde wagens, kermis, overal vlaggen en blijde, opgewekte mensen, die verheugd en gelukkig waren, dat men na vijf donkere jaren van de tirannie was verlost en dat men weer kon leven in een bevrijd Nederland.
P. Makaske
Dedemsvaart

'WE WAREN HELEMAAL GEK VAN VREUGDE'

We hadden twee kinderen, meisjes, waarvan de ene vijf jaar en de andere zes weken was. We woonden dicht bij de Markt in Raalte en moesten natuurlijk het huis uit. Aan de markt was een loodgietersbedrijf waar ze een heel goede, ouderwetse kelder hadden. Daar konden we terecht. 't Was ongeveer vijf minuten bij ons vandaan. Onze kleinste (Hermien) lag in de kinderwagen met een lekkere warme kruik en een pakje roomboter ernaast. Toen we over waren droop de roomboter door de kinderwagen. We hebben enkele dagen in de kelder gezeten. Hermien sliep op de wintervoorraad aardappels. Nu het was wel angstig, de granaten vlogen aan alle kanten over ons heen en sloegen ongeveer 50 meter verderop in.

De familie Hartman had een groot huis met winkel en boven een plat dak. Toen het geweld verminderde zijn we naar boven gegaan. Er brandde veel aan alle kanten. Toen het stiller werd hebben we ons naar buiten gewaagd. Het was net of er een orkaan door Raalte gewoed had. Overal kapotte ruiten en afgeknapte bomen. Maar ik geloof niet dat er mensen gewond of gedood waren. Wel was het een angstwekkend gezicht. Je kon je eigenlijk niet indenken dat je vrij was. Maar al spoedig stonden de grote Canadese tanks, als huizen zo hoog, op het marktplein. Er werd brood, chocolade en sigaretten uitgedeeld. Ik ben naar Heino gegaan waar mijn ouders woonden, daar hadden ze ook een goede ouderwetse kelder. Mijn ouders waren er ook goed afgekomen, hetgeen een wonder mag heten, want er was dwars door het huis geschoten: de Canadezen zaten achter en de Duitsers vůůr het huis. Mijn oudste broer heeft 3Ĺ jaar krijgsgevangen gezeten in Tsjechoslowakije. We stuurden veel pakjes met eten naar hem toe want daar werd erg veel honger geleden. De laatste weken voor de bevrijding hoorden we niets meer van hem en vreesden het ergste.

Toen opeens kwam er een buurjongen bij ons aan de deur die zei: "Je broer ligt bij Deventer langs de weg en kan niet verder". Hij was helemaal uitgeput. We hebben fietsen geleend en hebben hem opgehaald. Hij was heel mager en had hele rare kleren aan. We zijn toen naar onze ouders in Heino gegaan. Hij was met een Belgisch transport meegekomen om sneller thuis te zijn. We waren allemaal gek van vreugde, mijn moeder danste door de kamer net als wij allemaal. Alles was voor ons goed afgelopen.

M. van Breda-Koster
Raalte


'EEN DIEPE SCHADUW'

Het was 6 april 1945. In de namiddag van die dag werd ik er op attent gemaakt, dat onze Nederlandse vlag wapperde op een van de boerderijen aan de 16e wijk te Dedemsvaart.

Ik was op dat moment aan het ploegen met mijn trouwe viervoeter 'Zwarte'. Ik kreeg toen de mededeling dat de Canadezen waren gekomen. Mijn eerste reactie was toen, het paard op stal zetten, tegen mijn ouders zeggen dat de Canadezen er waren om ons te bevrijden en zo snel mogelijk mijn fiets pakken en vervolgens op Dedemsvaart aan.

Enkele vrienden die ik toen ontmoette, vertelden mij dat de Canadezen met de tanks op de Langewijk, tegenover het vroegere tramstation stonden, dat inmiddels nog door een aantal Duitsers bezet werd gehouden. Toen deze zich echter weigerden over te geven, werd dan ook op geschoten, tot ze wel bereid waren zich over te geven. De witte vlag werd daarna al gauw geheven en ze kwamen naar de Langewijk toe, om door de Canadezen gevangen genomen te worden. Maar er bevond zich tussen de Canadezen en de Duitsers een vaarwater, dat de Langewieke heette. Wel waren er inmiddels wat mensen voorzien van een bootje opgedoken om de Duitsers over te zetten. Ik stond in de buurt van onze huisarts Dr. Fock. Die vroeg mij ook in een boot te stappen om de Duitsers over te zetten. Wij zijn toen over gevaren en hebben een gewonde en een gesneuvelde Duitser in de boot gezet. De gewonde Duitser hebben we daarna op een ladder weggebracht naar Huize Avondlicht waar hij verder is verzorgd. De Canadezen en de drie tanks waren inmiddels doorgestoten tot Dedemsvaart, maar gingen weer terug van waar ze gekomen waren, de gevangenen meegenomen richting Coevorden.

Natuurlijk waren er heel wat vlaggen uitgestoken en men was zo blij dat men was bevrijd. Helaas viel er echter een diepe schaduw over Dedemsvaart. Toen de Canadezen weer verdwenen waren en de Duitsers weer kwamen oprukken vanuit Balkbrug, werden de vlaggen weer snel binnen gehaald. Zeer snel waren de Duitsers weer terug in Dedemsvaart om de vreugde van de bevrijding te verstoren. Ze waren razend van woede. Ze dreven mensen bij elkaar. Deze mannen, vrouwen en kinderen moesten onder bedreiging met de handen op hun hoofd voor de Duitsers uitlopen. Zo werden ze naar Balkbrug gedreven. Daar hebben de Duitsers 15 mannen uitgezocht, die nog dezelfde avond in Balkbrug als terrorist zouden worden dood geschoten. Inmiddels werden de overige mannen, vrouwen en kinderen weer vrij gelaten. De 15 gearresteerden werden in het schemerdonker op een rij langs het kanaal tussen de tramrails gezet, wachtend tot de kogel ze zou treffen. Toen de eerste schoten vielen, wisten toch nog enkelen te ontsnappen door in het kanaal te springen om zwemmend de overkant te halen. Sommigen hielden zich schijndood. De overigen werden door een nekschot gedood. In vele gezinnen heerste toen diepe rouw, over de gevallenen die hun leven lieten, zo vlak voor de echte bevrijding, de volgende dag.

A. Konterman
Ens (NOP)


'DAAR ZIJN DE TOMMIES'

Op de morgen van 7 april 1945 (ik bevond mij toen op een boerderij) aan de weg Balkbrug-Zuidwolde stond er bij een boerderij achter een week-hout-bos een paard en wagen en daarbij drie Duitse soldaten. In de loop van de morgen kwam er een om wat hooi en water voor het paard. Dit hebben ze gekregen. Het 'gevorderde' paard kon het ook niet helpen.Verder hadden we geen last van die lui. Omstreeks het middaguur kwamen er vanaf een zijweg naar Dedemsvaart een paar pantserwagens van de Canadezen, die vlak voor een bosje bleven staan. Ik ben toen naar de drie Moffen gegaan, die behaaglijk in de zon lagen, met de boodschap: "Daar zijn de Tommies". Als door een adder gebeten sprongen ze overeind en gluurden voorzichtig naar de tanks. 'Ja dat zijn ze'.

Ik heb hen geadviseerd zich over te geven, maar dat wilden of durfden ze niet. Ondertussen stopte een derde tank bij onze boerderij. Een lid van de ondergrondse kwam er uit (een Hollander) en vroeg of er ook Duitsers in de bosjes zaten. Ik heb hem verteld dat er drie Duitsers zaten, maar dat die vermoedelijk geen weerstand zouden bieden. De bevrijders zijn er toen langzaam langs gereden. Er gebeurde niets en men ging verder richting Balkbrug. Ondertussen waren er ook troepen bezig op te trekken van Dedemsvaart naar Balkbrug, ongeveer anderhalve kilometer van ons verwijderd. Er werd daar geschoten. Toen kwam er uit een klein schuurtje een van de drie Duitse soldaten met de vraag waar de Canadezen waren. We beduiden hem door naar alle kanten te wijzen, dat hij zich maar beter over er kon geven. Dat wou hij niet waarna hij weer terug kroop in de schuur. Intussen kwam de tank, die richting Balkbrug gegaan was, weer terug. Mij werd de vraag gesteld, of ik een wagen met fietsen, zo'n 15 ŗ 20 stuks, van gevangen genomen Duitsers naar Landzicht in Dedemsvaart wou brengen. Ik wilde dat graag doen. Ik antwoordde dat ik meerdere malen voor de Duitsers had moeten rijden en het nu met plezier voor de Canadezen zou doen. Dat was dan goed. Maar eerst vertelde ik dat er ook nog een Mof in de schuur zat. De man die mij voor die rit gevraagd, rende naar de tank. Daar kwamen 4 ŗ 5 militairen uit met de stengun in de aanslag.

Bij het betreffende schuurtje had de Duitsers zijn geweer, goed zichtbaar, tegen een boom gezet. 'Kommen sie er aus, rotmof', schreeuwden ze en schoten een paar maal in de lucht. Met de handen omhoog kwam de Duitser tevoorschijn. Hij moest alle wapens en uitrustingsstukken laten liggen en is toen op de pantserwagen afgevoerd. Nadien heb ik de wagen met rijwielen gehaald en naar Landzicht gebracht. Toen ik met mijn vracht over de Zuidwoldigerstraat kwam, aan de Langewijk, reed daar net een tank langs, waarop onder andere de NSB-burgemeester Van Arkel en de boerenleider van Balkbrug zaten, die gevangen waren genomen. We hadden de vrijheid weer.

W. ten Kate
Balkbrug

'GEWOON VRIJ: HET IS MET GEEN PEN TE BESCHRIJVEN WAT DAT BETEKENT'

Op zaterdagmiddag 8 april ging ik vanuit mijn onderduikadres richting De Wijk. Volgens radio Oranje, waren de Canadezen al dichtbij. In De Wijk aangekomen, bleek het dorp geheel gevuld met Duitsers, die bezig waren geschut in stelling te brengen, richting Balkbrug.

Langs een omweg bereikte ik toen de Bloemberg, waar inmiddels Canadezen waren gearriveerd. Drie grote boerderijen waren intussen al in brand geschoten in de Stapel. De eerste opdracht van de bevrijders was, bescherm de bruggen over de Hoogeveensche Vaart, opdat ze niet worden opgeblazen. Tot een echt gevecht kwam het die dag toch niet, want de Canadezen trokken niet verder en de Duitsers trokken zich terug op Meppel.

In het oude burgemeestershuis van De Wijk werd het hoofdkwartier gevestigd van de BS, die in een mum van tijd te voorschijn kwam. De eerste nacht die wij daar doorbrachten, was nogal enerverend. Er was inmiddels een mitrailleurpost gevestigd bij de Rogatbrug en 's avonds laat werd er plotseling hevig geschoten. Volgens onze commandant gingen wij toen vanuit De Wijk onder leiding van Jos. B. naar de bedreigde post om te zien wat er gebeurd was en waarom er zo geschoten werd. Toen wij daar aankwamen bleek alras, dat er een groep Duitse soldaten langs gekomen was, waarmee men vuurcontact had gehad. Toen wij later terug waren op de commandopost en probeerden met onze kleren aan, wat te slapen, kwam er bericht dat er op de Havixhorst een familie werd bedreigd door de Duitsers. Onmiddellijk ging er een vrij grote patrouille op pad om de familie te ontzetten.

Toen wij nog een kilometer van de boerderij af waren, werd de groep gesplitst, de ene onder leiding van Cor moest vanaf de achterkant de boerderij benaderen, de andere onder leiding van Jos de voorkant. Onze onervarenheid leidde tot een levensgevaarlijke situatie. Cor was met zijn groep eerder bij de boerderij dan wij en toen zij daar niemand ontdekten trokken zij verder. Zo kwamen wij elkaar tegen, wat tot een enorm vuurgevecht leidde. Het is voor mij nog steeds onbegrijpelijk dat daar toen geen doden zijn gevallen, er was zelfs niemand gewond. Later bleek dat er wel Duitse soldaten geweest waren, maar die hadden alleen mensen meegenomen om hen de weg te wijzen naar Meppel. De Duitsers waren in het donker verdwaald en vermoedelijk waren het dezelfde soldaten die ook bij Rogat waren geweest.

Die nacht deden er zich verder geen moeilijkheden voor. Toen de Duitsers enkele dagen later ook Meppel verlieten, was de bevrijding echt een feit. Een niet te beschrijven gevoel van geluk en vreugde en grote dankbaarheid hadden we toen. Op het schoolplein in IJhorst werd een hele avond en een stuk van de nacht gehost en gedanst. Er was weinig te drinken, maar het was een feest om nooit te vergeten. Het gevoel om weer als vrij mens te leven, geen vals persoonsbewijs meer, waarvan je zelf denkt dat het duidelijk is dat het vals is. Geen razzia meer, maar gewoon vrij. Het is toch met geen pen te beschrijven wat dat betekent.

Later toen de NSB-ers werden opgehaald en boven in De Wijker molen bijeen gebracht werden, gebeurden er dingen die de feestvreugde niet vergrootten. Maar toen de NSB-ers op transport gesteld waren was ook dit gelukkig voorbij. Toen waren we pas echt van alles af.

J. Haasjes
Ens


NOP MAAR NET AAN VERNIETIGING ONTSNAPT

Verkeerde mensen als redders en helden afgeschilderd

'De Noordoostpolder is gered door een samenloop van omstandigheden. 't Is puur toeval geweest dat de Duitsers Hitlers opdracht om "verschroeide aarde" achter te laten negeerden en de polder in de laatste oorlogsjaren gespaard hebben'. Dat zegt Wiebe Soetendal, destijds districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten.Hij is de man die op 17 april 1945 moest voorkomen dat de bezetters de dijk bij Lemmer de lucht in zouden laten vliegen. De meest fantastische verhalen doen de ronde over de redding van de zogenoemde 'graanschuur van Nederland'. De verkeerde mensen zijn als helden en redders afgeschilderd. Soetendal weet het: Hij heeft te lang gezwegen. 't Is tijd voor het ware verhaal. Samen met zijn makkers uit het verzet reconstrueert hij de geschiedenis.

Reeds in augustus 1944 is het Overijsselse verzet zich gaan voorbereiden op de redding van de Noordoostpolder. Niet ongemerkt waren de Duitsers namelijk begonnen met het graven van diepe gaten in de dijk bij het gemaal in Lemmer. De bedoeling was duidelijk: Zodra de geallieerden de polder binnen zouden trekken moest het land onder water gezet worden. Het verzet onderzocht verschillende mogelijkheden om een ramp te voorkomen.
Zo werd gedacht aan het laten zinken van schepen met puin in het gat, dat door de explosie zou worden geslagen. Het allerbeste leek echter te trachten de ontploffing te voorkomen. Wiebe Soetendal, die op dat moment bij een zendstation in Twente zat, kreeg opdracht de explosieven onklaar te maken. Bovendien werd de Kamper wijnhandelaar Jan Willem Siebrand ingeschakeld om te trachten een accoord te bereiken met de Duitse commandant in Lemmer.

Geen springlading

Na tien dagen daarvoor in het donker met een roeibootje het Zwarte Water overgezet te zijn kwam Soetendal in de nacht van 16 op 17 april in Lemmer aan op het bewuste punt op de dijk. Hij was gewapend met een 12 mm pistool maar ontmoette geen enkele weerstand: De Duitsers waren na een gerichte artilleriebeschieting door de Canadezen gevlucht. Er waren alleen nog enkele Polen in Duits uniform. 'Ze vertelden me dat zij een stelling hadden genomen tegenover het gemaal om de dijk te verdedigen en dat zij daarom waren gedeserteerd. Hun hulp is echter nooit nodig geweest', aldus Soetendal. 'Ten onrechte zijn de Polen na de oorlog gehuldigd als redders van de polder. Dat verhaal hebben ze zelf opgehangen en het werd geloofd', stelt de voormalig districtscommandant.

'ER zaten wel dertig gaten in de dijk, maar er zat geen springlading of ontsteking in. Bovendien stond er water in de gaten. Alle voorbereidingen waren echter wel getroffen. In een houten schuurtje, 150 meter verderop lag de springlading en daar vandaan liep een smalspoor naar de gaten. Naar mijn overtuiging voelden de Duitsers er niets voor om de boel te laten ontploffen. In de staat waarin ik de dijk aantrof had het ze nog twee dagen gekost om alles in orde te brengen. Ze hadden er tijd genoeg voor gehad'.


Angstige dagen

De laatste dagen van de oorlog leefden duizenden mensen in de Noordoostpolder met de angstige gedachte dat al het land van het ene op het andere moment onder water kon komen te staan. Een tiental verzetsmensen, onder wie politieman K. van Leussen, overlegden in Emmeloord wat zij konden doen. Bij geruchten hadden zij vernomen dat de grote klap elk moment kon komen. Besloten werd dat Marinus van der Weele naar Lemmer zou gaan om Soetendal te waarschuwen. Er moest snel actie ondernomen worden. Het werd een moeilijke tocht voor Van der Weele, die van een afstand de Canadese beschieting van de dijk bij Lemmer zag en uiteindelijk bij het gemaal aankwam toen Soetendal de situatie al volkomen onder controle had. Van der Weele kende deze ex-onderofficier van het Nederlandse leger overigens al goed van verschillende activiteiten in de Noordoostpolder. Nabij de Espelerbocht waren zij beiden namelijk betrokken geweest bij een drietal nachtelijke wapendroppingen. Overigens zijn deze wapendroppingen de belangrijkste acties geweest van het verzet in de Noordoostpolder, want het is zoals Dim de Visser, die ook bij droppingen betrokken is geweest, concludeert:'Er zijn in de Noordoostpolder geen heldendaden verricht'. Daarbij maakt hij wel direct het voorbehoud dat vele tientallen onbekenden grote moed hebben getoond bij het helpen van de duizenden onderduikers in de NOP, wat in die jaren synoniem was voor Nederlands Onderduikers Paradijs.

Onduidelijk

Of de Duitse commandant, de Orts- und Sprengcommandant Hauptmann Frits Jšhle, zelf inzag dat de oorlog verloren was en dat het vernietigen van de Noordoostpolder een zinloze daad zou zijn of dat hij zich daartoe heeft laten overtuigen door wijlen Jan Willem Siebrand uit Kampen is eigenlijk nooit duidelijk geworden. Hoewel verschillende verzetsmensen aan de eerlijkheid van Siebrand hebben getwijfeld, vanwege het feit dat hij gedurende de oorlogsjaren veelvuldig contact had met de Duitsers, is Soetendal er van overtuigd dat deze Kampenaar een belangrijke inbreng heeft gehad bij de redding van de polder. Volgens de overlevering zou Siebrand, die als drankenhandelaar grote invloed had bij de bezetters, Jšhle via de Wehrmachttelefoon in Kampen hebben laten ontbieden. Daar zou de Duitse commandant zich hebben laten ompraten door Siebrand, die beloofde hem na de oorlog te zullen helpen, zodat Jšhle zou kunnen trouwen met het Friese meisje waarop hij verliefd was.

De Hauptmann stelde een voorwaarde: De geallieerden zouden om de polder heen moeten trekken; indien ze via Ramspol oprukten was hij genoodzaakt zijn bevelen uit te voeren. De Canadezen hebben gehoor gegeven aan het verzoek van het Overijssels verzet en de Noordoostpolder werd via Lemmer bevrijd.

't WAS NET OF DIE KLOK VOOR MIJ ALLEEN LUIDDE"

Op vrijdag 13 april 1945 was het erg mooi lenteweer. Na wat nachtvorst begon een veelbelovende, zonnige dag. Mijn jongste zusje Betsy en ik besloten bij de tuinders van Zwolle weer eens te vragen naar verse groenten. Wij woonden langs de IJssel. Wij waren niet de enigen die op dat idee waren gekomen. Er liepen hele troepen kinderen en ook nog wat vrouwen (mannen waren er niet meer en zo ze er al waren, kwamen ze allang niet meer buiten). Wij liepen naar de Langenholterweg naar wat toen heette Zwollekerspel en moesten de rondweg om Zwolle oversteken.

Wij vroegen bij vele tuinders om sla, spinazie of raapstelen, maar kregen niets. Diep in de namiddag gingen wij weer naar de stad. Maar ondertussen zaten overal Duitsers in eenmansgaten in de grond met mitrailleurs in de aanslag. Thuis gekomen wist men al dat het nu menens was. Wij maakten aanstalten om met z'n allen in de kelder te gaan bivakkeren. Er waren wat matrassen en gewatteerde dekens in gelegd, er was wat water en een geÔmproviseerd 'toilet' in de vorm van een oude zinken wasketel. Eten was er praktisch niet meer.

Mijn vader en ik deden de laatste ronde. Wij deden het raam in de erker van de kamer boven de zaak even open. Onze buurman aan de overkant, ene Appie van Dijk, sigarenwinkelier en accordionist en vriend van mijn vader riep naar ons:"Hoogma, het duurt nu niet lang meer lang meer" (hij wees daarbij in de richting Vechtstraat en eind Thomas ŗ Kempisstraat). "Ze zijn er nou zo" en mijn vader bevestigde dat. Wij gingen nog even naar het balkon aan de achterzijde. Projectielen vlogen voorbij richting Bleekerswegje en begin Wipstrikkerallee. Het leek ons toen tijd in de kelder te kruipen. Wij waren met drie volwassenen en drie kinderen op een paar vierkante meter.

Die nacht heb ik bijna niet geslapen. Op een gegeven moment hoorde mijn vader vreemde geluiden, alsmaar hetzelfde, alsof er een waterleiding was gesprongen en er bij voortduring water uit liep, een heel monotoon geluid. Voor mijn gevoel duurde het uren. Later bleek dat de Duitsers met alles wat nog over de weg kon 'rollen' hadden verplaatst naar (men zei) Hattem. Zij hadden bijna geen paarden meer en de onze waren ook allang geroofd zodat zij zelf die karren met alles erop en eraan moesten trekken en duwen. Er waren buurtgenoten die dat 's nachts hadden gezien en dat was dan dus dat geheimzinnige geluid. De ochtend brak aan, zaterdag 14 april 1945. Mijn vader en mijn oudste zus kropen op handen en voeten uit de kelder en gingen poolshoogte nemen. Mijn zus ging naar de overkant naar bakkerij 'De Korenschoof' (familie Woelders). Daar stond een vrouw te roepen in onvervalst Zwols:"Mijn dochter in Assendorp is al bevrijd". Die vrouw was uitzinnig van vreugde. Veel hingen al het rood-wit-blauw uit maar mijn vader geloofde alles nog niet direkt en wachtte er nog even mee. Maar het bleek waar te zijn en onze vreugde kende geen grenzen meer. Mensen vielen elkaar zomaar om de hals en velen huilden van pure blijdschap. De eerste tanks (tenminste bij ons) kwamen via de Wipstrikkerallee langs de oude boerenherberg 'Hanekamp' door de Rhijnvis Feithlaan de Brink oprollen, het was grandioos. Wij kregen chocolade...

De Duitsers hadden bijna alle kerkklokken geroofd, maar er was minstens nog een die kon luiden en die deed dat ook. Ik had nog een heel klein kinderfietsje en daar paste ik nog op met mijn dertien jaren, zo klein en tenger was ik. Op dat fietsje ben ik weggegaan, helemaal alleen, om alles te verwerken. Ik kon er met niemand over praten. Ik reed de route van de vorige dag ongeveer, die ik gelopen had met mijn zusje Betsy. En alsmaar hoorde ik die klok luiden, 't was net of die alleen voor mij luidde. Ik dacht:"Nu zijn we echt vrij, nu wordt alles alleen maar weer beter. Geen angst meer, geen razzia's, geen verraders".

Voor mij heeft het luiden van klokken dan ook altijd iets van dat gevoel van vrijheid behouden.

A. van der Zanden-Hoogma
Zwolle


'ZO WAS EEN FEESTDAG BIJNA IN EEN DRAMA GEŽINDIGD'


De dag van de bevrijding herinner ik mij nog als de dag van gisteren. Ik wonde toen in de Van Galenstraat 83 met twee kleine kinderen -jongens van vier maanden en twee jaar. 's Morgens zag ik de eerste Canadees op de Wipstrik- kerallee wandelen. Wat een feest, wij waren na vijf jaar bevrijd van het Duitse juk! 's Avonds stond ik voor de kinderen pap te koken op een noodkachel, een kleine emmer met gaatjes in de bodem, bovenop een zogenaamde salamander-kachel. Licht, gas en kolen hadden wij niet meer en zo kon je met zeer weinig hout toch iet aan de kook brengen. Ik stond boven de kachel in de pap te roeren en plotseling klonk boven het gehuil van een van mijn kinderen (inmiddels een man van 42). Ik liep naar boven en meteen hoorde ik in de keuken een vreselijke knal. Verschrikt rende ik weer naar beneden en zag een grote ravage in de keuken. Het bleek dat de Duitsers nog zo vriendelijk waren geweest als afscheid vanaf de Veluwe een granaat op Zwolle af te vuren en deze granaat was achter mijn huis terecht gekomen. Het gevolg was dat in mijn keuken precies op stahoogte de granaatscherven waren ingeslagen boven de kachel waar ik net had gestaan. Ik had daar emaille bussen (met opdruk koffie, thee en suiker) staan en de scherven waren dwars door alle drie bussen geslagen. Ik heb deze bussen nog jarenlang bewaard. Zo was een feestdag bijna in een drama geŽindigd. Zo'n bevrijdingsdag vergeet je nooit meer!

Mevrouw R. Schijf
Zwolle


'RUMOER IN DE STRAAT, ER WAS WAT AAN DE HAND'

Op 14 april, m'n veertiende verjaardag, wapperen de vlaggen van de Peperbus; voor het eerst in 1945. De dag ervoor, vrijdag de dertiende, was er nog geen kijk op zo'n spoedige bevrijding. De geruchten wilden, dat de geallieerden al in Almelo zouden zijn, optimisten noemden Nijverdal en mensen, die beweerden dat ze nÚg dichterbij zouden zijn, werden zonder meer uitgelachen! Zwolle was rustig, etenhalers uit het westen waren er praktisch niet meer, en de meeste gravers waren ook verdwenen.

Tegen het eind van de middag moest er als gewoonlijk melk gehaald worden bij Van der Kolk achter Soeslo. Maar na een paar honderd meter, net voorbij de bosjes, waren Duitsers aan het schieten met een snelvuurkanon. Op mijn nadering en gebaren stopten ze er even mee en kon ik voorlangs. De Duitsers schoten wel vaker, dus dat was niets bijzonders. Richting Laag Zuthem brandde iets, maar dat kon van alles zijn. Ik kreeg m'n melk en iemand die van buiten kwam zei, dat er net wat in de wei ontplofte, maar ook hier werd verder geen aandacht aan besteed. Op de terugweg werd het schieten weer even voor mij onderbroken, en ik kon ongemoeid verder. Bij Boswijk haalde ik groepjes Duitsers in, die richting stad liepen. De jongsten waren minstens 50 en de oudsten gaf je 70, de laatste hoop van het Derde Rijk. Maar ondertussen had ik de angst in de benen voor mijn fiets, een met echte luchtbanden. Hij werd niet gevorderd! (NB een week tevoren kreeg een mof bij de Pelikaan een lekke band en vorderde meteen de mijne, met massieve banden, beslist een goede ruil).

De Van der Kolk's zo bleek later waren toen onderhand al bevrijd. Die nacht bivakkeerden wij voor het grootste deel in de kelder. Pas tegen de ochtend werd het rustig en hield het fluiten van de granaten op. Er werd over en niet op de stad geschoten. 's Ochtends vroeg (zaterdag 14 april '45) rumoer in de straat, er was wat aan de hand. Hollende mensen, en een motorrijder, die beslist geen Duitser was. Het opvallendst was de manier waarop de motor bereden werd, namelijk voorop de benzinetank. Dit bleek al gauw de karakteristieke manier waarop de Canadezen hun Matchler motoren bereden. Even nog twijfel, maar nee, dit moet het zijn:'We zijn bevrijd'. Er was geen houden meer aan, we moesten de straat op. Die dag was verder een grote roes, iedereen was uitgelaten. Meteen was er ook de BS in blauwe overalls met oranje mouwband. De jacht op NSB-ers en moffenmeiden begon. Onder groot gejoel en geschreeuw werden ze bijeen gedreven. De stad liep vol met Canadezen. Brencarriers vol met Zwollenaren en vooral Zwolsen, er kwam muziek, er werd gehost. De Diezerstraat was een vlaggenzee boven de dichtgetimmerde etalages, 't werd laat die dag.

G. Banck
Zwolle


WIJ ZONGEN:"MIJN SCHILD ENDE BETROUWEN"

Voor een ieder die de oorlog, met al z'n geboden, verboden, angst, gebrek en honger, haat en verbittering,niet bewust heeft beleefd, is het moeilijk om de intense blijdschap en vreugde te begrijpen die dat meebracht: bevrijding. Vrij te zijn van alle verschrikkingen van de bezetting.

Wij woonden in een huis aan de Van Laarseweg en hadden vijf kinderen, twee jongens, waarvan de oudste nog tien moest worden, en drie meisjes. Onze jongste dochter zou die zomer een jaar worden. Op een keer komen de beide jongens thuis en zeggen: "Mama, er zitten een heleboel kerels in de kelder van Evenboer. En ook bij Bremmer". Dat was op de Schellerweg. Ik schrok, want je sprak over die dingen ('t waren onderduikers) niet met kinderen. :Hoe weten jullie dat", vroeg ik. "Nou ze maakten ruzie en schreeuwden. En toen hebben wij door het kelderraam gekeken". "Luister eens goed jongens, jullie moeten er met niemand over praten. Ook niet met andere jongens, want o, als de Duitsers het te weten komen". Nou, het hele stel kwajongens wist het al. De schrik sloeg me om het hart. Ik dacht: "Hoe lang zitten deze jonge mensen al verborgen en hebben ze moeten samen leven in zo'n kleine ruimte. Misschien al jaren. Mijn God, bewaar ze en laat het niet te lang meer duren". 'k Had angst voor wat gebeuren kon. Toen heeft het gelukkig niet meer zo lang geduurd. Op een mooie dag in april kwam een jonge vrouw, die vooraan in de straat woonde, bij me. Ze zei: "Ik heb een Canadees gezien en een hand gegeven. Ik kreeg chocoladerepen van hem". Een ongekende weelde. Ze had ze met haar kinderen direkt opgegeten. Ze was 's morgens vroeg op pad gegaan om melk te halen. En bij de boerderij De Roskam werd over en weer geschoten. Ze had aan de kant van de weg in een droge sloot gelegen, terwijl de kogels over haar heen vlogen. Maar het was de moeite waard. Zij had een Canadees ontmoet. De vrijheid was dichtbij. En ja hoor! In de loop van de morgen reed een tank de Schellerallee in. En daarna meer legerauto's. Je durfde het bijna niet geloven. De dag ervoor liepen daar nog een paar Duitse soldaten. De jongens waren uitgelaten en alle Canadezen waren hun vrienden. Theo kwam een beetje timide thuis. Z'n oudere broer Frits was met andere jongens op de tank met de Canadezen meegereden naar de stad. Hij durfde niet. Ach, een jongen van net acht jaar. En toen begonnen alle klokken te beieren en het klonk als hemelse muziek. Later kwam Kunst na Arbeid al spelende naar het kruispunt. De kinderen keken hun ogen uit naar die mooie muziekinstrumenten. En de muziek was geweldig. Dat hadden ze nog nooit gezien en gehoord. Voor het huis van de familie Keijl hielden ze halt en toen speelden ze het Wilhelmus. Een groepje mensen stond er omheen. Ik stond er ook bij en 'Mijn schild ende betrouwen' heb ik meegezongen. Vlaggen werden tevoorschijn gehaald. Toen ging ik gauw naar huis kijken hoe het met onze jongste dochter was. Ze sliep rustig maar ik dacht: "Wat jammer dat je te jong bent om dat intense blijde, bevrijd te zijn, te kunnen gevoelen". Bevrijding.

A. During-Pijl
Zwolle

'M'N EERSTE PLAK WITTEBROOD HEB IK DŠŠR GEHAD....'


Negen jaar was ik toen wij gedrieŽn- mijn broer, zijn vriend en ik- aan het spelen waren aan het veerkoppien (een krib in Brunnepe -gemeente Kampen- die een eind de IJssel inloopt). Daar waren wij heengegaan om te spelen aan het water en te klimmen op een grote hijskraan, waar je zo lekker tussen door kon kruipen. Het was de laatste dag voor de bevrijding, zoals de volgende dag bleek.

Opeens was er alarm met daarna een angstige stilte, gevolgd door een fluitend geluid en even later een fontein, vlak voor ons in het water. Iedere keer doken we even tussen de spanten van de hijskraan om daarna weer een fontein te zien. Aan de overkant op de sluis, recht tegenover de veerkop, zagen we steeds een voor een soldaten gebukt over de neergelaten sluis rennen. Later begrepen we dat het Canadezen waren en dat de granaten voor hen bedoeld waren. Het wegduik-spelletje begon te vervelen, dus gingen we maar eens richting huis. Het alarm duurde eigenlijk wel een beetje lang en je zag geen mens op straat. Alleen stonden er mensen boos achter de ramen te gebaren dat wij, kwajongens, maar gauw naar huis moesten gaan. We liepen de Pannekoekendijk over, bij de Noorderkerk langs en zo verder de Frisostraat in, waar een oom en mijn vader ons niet al te vriendelijk naar binnenhaalden rechtstreeks de kelder in. De Duitsers schoten vanaf de Zwartendijk en wij woonden zowat aan de rand waar de weilanden begonnen. Een meisje die op de singel liep was al dodelijk getroffen, daar was mijn oom getuige van geweest, toen hij naar ons zocht. Toen het alarm afgelopen was gingen we gauw naar bed, tenminste we probeerden te slapen op de grond onder de tafel en achter de grote stoelen, want er was wat op til. Later werd er besloten ons toch maar naar bed te brengen, boven met zijn vijven in een bed, drie gewoon en twee aan het voeteneind.

Inmiddels waren er familieleden uit de stad gearriveerd omdat hun huizen gevaar liepen als de brug de lucht in ging. Mijn oom en vader klommen het raampje in de kleine slaapkamer uit om op de koekoek van het dak naar de stad te kijken. Door al dat gestommel kon ik niet slapen en zat dus in het donker naar het raam te kijken. Plotseling was er buiten een verblindend wit licht, zoals ik nog nooit gezien had. Met al de dekens om me heen vloog ik de slaapkamer uit, vergat van de trap te lopen en viel, met achter mij aan en vervolgens boven op mij de anderen. De vreselijke klap die volgde deed ons gillen van de schrik. Later zijn we van vermoeidheid weer beneden op de grond in slaap gevallen. De volgende dag gingen we in de stad kijken. Wat een ravage, alles lag onder het glas. Aan de IJsselkade bij de brug (of wat er nog van over was) waren de Stadsherberg en andere gebouwen in een puinhoop veranderd. Vervolgens zijn we naar de Tweede Ebbingestraat. We keken onze ogen uit naar al die pantservoertuigen waar andere soldaten opzaten dan die we gewend waren. M'n eerste plak wittebrood heb ik dŠŠr gehad, en wat een lekkere chocolade. Voor mijn vader zocht ik de peuken op die de Canadezen half opgerookt weggooiden, wat een weelde. Later zijn we nog naar het zeebad gelopen (nu de Roggebotsluis) waar ook diverse tanks stonden opgesteld om de zeekant in de gaten te houden. De meelopers werden opgepakt en de soldatenmeiden werden achter het politiebureau op de Nieuwe Markt kaalgeschoren en losgelaten tussen het publiek dat ze dan spitsroeden liet lopen.

J. Broek
Kampen


'JE KON ZO MAAR BUITEN BLIJVEN, OOK NA ACHT UUR'

Hoe beleefde ik de bevrijding? Het was een gewaarwording aan de avond van de bevrijdingsdag, die voor Urk vroeger was dan de rest van ons land, medio april '45. Het was een spannend weekeinde geweest toen de bezetters, in hoofdzaak oudere Poolse mannen, vertrokken waren. Of het Poolse mannen waren weet ik niet zeker, maar dat werd steeds gezegd. Urk had de meeste last van de Waffen-SS-schepen die in de haven kwamen met daarop ook de 'landgenoten' die geloofden dat zij het vaderland dienden door met de vijand mee te gaan....Schepen werden tot zinken gebracht in de havenmond en in de Urker sluis, de toegangsweg naar de polder. Waarom? Laatste stuiptrekkingen van een machtig Rijk.... En toen de avond waarop de bezetters verdwenen waren, was er geen avondklok. Je kon zomaar buiten blijven, ook na acht uur. Dat was iets wat ik nooit zal vergeten.

H. Kramer
Urk


'DE DUITSERS GINGEN Z»LF OP DE LOOP'

Mijn man was een Hagenaar en ik een Kampense. Met veel geluk konden we in'44 een huis in Den Haag krijgen en we trouwden op 4 mei van dat jaar. Mijn werkte in het Westland. Het werd hongerlijden. Toen er weer eens een V-2 naar beneden kwam, dicht bij ons huis en alle ruiten er weer uit, besloten we om naar mijn moeder in Kampen te gaan. Mijn zwager ook mee met de bakfiets en om beurten gingen we erin; mijn zwager kon al haast niet meer lopen en ik was in verwachting. Op 5 januari 1945 gingen we op weg en de negende januari kwamen we aan. Ik woog nog 97 pond bij aankomst. Het was een strenge winter met veel sneeuw. Maar de blijheid dat we goed waren aangekomen maakte veel goed. En dan de mensen die met van alles aan kwamen wat we in Den Haag niet meer gewend waren: boter, melk, eieren enzovoorts. Op 16 maart werd onze zoon geboren.

Toen kwam de maand april, de bevrijding. Mijn moeder woonde bij de SROI-kazerne (School Reserve Officieren Infanterie). De Duitsers waren een vluchtwagen aan het klaarmaken, een platte, met daarop al een geslacht varken, veel briketten, blikken en suiker.

Toen ze de kazerne ingingen leek het wel of iemand op een toverfluit blies: in een mum van tijd was de wagen leeg, op het varken na. Daar kwamen de Duitsers weer uit de kazerne en zagen de mensen op de wagen. Ze schoten in de lucht en weg waren we. Zelf had ik zes briketten gepakt. De Duitsers kwamen door de straten roepen dat alles terug moest, anders werd het hele blok opgeblazen en steeds schoten ze. Vreselijk bang waren we en durfden niet naar buiten want je kon van alles verwachten. Toen het moment dat de IJsselbrug de lucht inging, waarop de Duitsers zŤlf op de loop gingen. Het Canadese leger was in IJsselmuiden aangekomen. De volgende morgen was het prachtig weer. Mijn man, moeder en ik de straat op, de baby in de wagen. Wat een emotie moest je verwerken. Vlaggen, zingende mensen en veel Canadezen. Bij de Koornmarktpoort reed een tank de Ijssel in, we stonden stijf van schrik, dachten dat de inzittenden zouden verdrinken. Maar hij voer zo de Ijssel op, het bleek een amfibievoertuig te zijn. Naar het stadhuis gelopen en daar lag het glorieus Duits leger op de stoep, de BS met het geweer erbij. Wie dat niet heeft meegemaakt kan niet voelen hoe groot onze dank was dat je het er levend afgebracht had. Wat heerste er toen toch een eenheid. Je kan er soms naar terugverlangen dat je zoveel voor elkaar overhad.

Mevr. Van der Mijl
Zwolle


'IK KLOM ALS eeN VAN DE EERSTEN OP DIE TANK'

Op zondag 15 april 1945 was voor Kampen de bevrijding in aantocht. Over en weer werd door Duitsers en Canadezen geschoten. Het zal ongeveer vier uur 's middags zijn geweest dat ik, een negentienjarige, tegen mijn vader zei:"Ik ga even aan de Louise de Colignystraat kijken"(wij woonden in de Julianastraat in Brunnepe) Alhoewel mijn vader mij waarschuwde om dat niet te doen, ging ik -eigenwijs en met een dosis overmoed- toch. Dat waarschuwing niet tevergeefs was heb ik geweten. In het begin nog wat aarzelend en voorzichtig werd ik allengs steeds driester. Eenmaal aan de Louise de Colignystraat aangekomen, onder het gebulder van het schieten, ging ik verder. Op het laatst realiseerde ik mij niet meer hoe gevaarlijk het eigenlijk wel was. Onderweg kwam ik nog een paar mensen tegen die mij zeiden: "Ga maar niet verder want op de Singel liggen twee meisjes, getroffen door granaatvuur". Wat mij heeft gedreven, kan ik nu nog niet precies vertellen. Misschien was het een gevoel van nieuwsgierigheid. Ik weet het niet. Op de Singel aangekomen -ter hoogte van het huidige hertenkamp- zag ik inderdaad de twee meisjes liggen. Behalve ikzelf waren daar op dat moment nog twee personen. Een van hen was dokter De Bruyn, huisarts te Kampen, de ander grote forse man -die voorzover ik wist- aan de Buitensingel woonde. Terwijl wij daar met z'n drieŽn verbouwereerd stonden toe te kijken, barstte het vuur in alle hevigheid weer los. De huisarts en de andere man zetten het op een lopen. Zelf liet ik mij langs het talud van de Singel rollen tot ik bijna in de gracht lag.

Daar heb ik ongeveer drie kwartier gelegen, terwijl de granaten heen en weer vlogen. Dat dit angstaanjagend was behoef ik nauwelijks te vermelden. Toen het vuur bijna was opgehouden, ben ik als een haas naar huis gerend waar ik, ondanks mijn vader mij levend terugzag de nodige en welverdiende schrobbering kreeg. 's Maandagsavonds 16 april werd er weer geschoten. Ik waagde mij niet meer buiten. Wel heb ik nog door het geopende raampje in de voordeur enige woorden gewisseld met de buurman waarbij wij opmerkten:

"Het is weer behoorlijk raak". De volgende dag (17 april '45) was Kampen bevrijd. De vreugde was niet te beschrijven. Al vroeg in de morgen was ik op straat en ging richting binnenstad. Het zal tussen negen en tien uur 's morgens geweest zijn dat er een Canadese tank bij het stadhuis arriveerde. Als een van de eersten ben ik op die tank geklommen. Iedereen was dolgelukkig dat wij onder het juk van het nazidom vandaan waren.

G. Berghuijs,
IJsselmuiden


'MIJN VADER KENDE ZE ALLEMAAL...'

Als ik denk aan de bevrijding, denk ik aan negen mannen die een dag daarvoor in Balkbrug werden doodgeschoten. In de laatste oorlogsjaren woonden we aan de Meppelerweg in Balkbrug. Een paar honderd meter achter ons toenmalige huis liep de Hoogeveenseweg en dat betekende toen, dat we nogal eens werden opgeschrikt door laag overkomende vlieg- tuigen, van waaruit Duitse konvooien werden beschoten. Enkele weken voor de bevrijding moesten we 's nachts hals over kop ons huis uit, omdat er voor het huis Duitse auto's, afgeladen met munitie, werden beschoten.

We vluchtten naar een boswal, waar we met enkele buren de volgende aanval afwachtten. Toen alles rustig werd en wij weer bij huis kwamen, bleken de ruiten stuk te zijn en het huis vol gewonde soldaten te liggen. Mijn vader moest thuis blijven, maar mijn moeder, zusjes en ik gingen naar ons 'vluchtadres'; dat was bij de familie R. Prins, De Pol. Hier konden we altijd terecht, ingeval er iets met mijn vader, die politieman was en bovendien betrokken was bij het werk van de 'ondergrondse', zou gebeuren. Op 6 april leek het erop dat Dedemsvaart bevrijd zou worden. We verwachtten dat de Canadezen dezelfde dag of nacht ook in Balkbrug zouden komen en voor alle zekerheid en veiligheid overnachtten we met diverse gezinnen uit de buurt in een schuur achter de boerderij van Prins. De mannen hadden een aarden wal tegen de muur opgeworpen en verder hoopten we maar dat er niet in onze richting zou worden geschoten. We lagen op stro en ondanks de ernstige situatie werd er veel gelachen. Af en toe keek eens iemand naar buiten.Toen we een auto met Duitsers richting Dedemsvaart zagen gaan werd de stemming er niet beter op. Na enkele uren zag een van ons in de verte, om de bocht bij De Pol, een aantal mensen aankomen.

Doodse stilte! Iedereen moest zijn mond houden en we mochten geen beweging maken. Waarom kwamen ze lopend uit de richting Dedemsvaart? Toen de groep dichterbij kwam, zagen we militairen mensen, die met de handen boven hun hoofd liepen, voor zich uit drijven. De ouderen onder ons waren vol zorg over wat ze hadden gezien en ook wij, kinderen, begrepen dat er iets ergs gebeurde. Later op de avond hoorden we schoten vallen. De volgende dag kwam mijn vader bij ons. Hij vertelde dat de directeur van het postkantoor, de heer Verwey, hem had verzocht naar de brug te komen omdat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Toen hij daar kwam zag hij dode mensen langs het kanaal liggen.

Hij kende ze allemaal.... Ze werden naar een zaal in cafe Leunge gebracht om geÔdentificeerd te worden. Daarna werden door Sip Oegema uit Dedemsvaart op een platte wagen opgehaald. Enkele dagen later hoorden we dat de Canadezen zich op 6 april weer hadden teruggetrokken uit Dedemsvaart. Gewaarschuwde Duitsers gingen toen naar Dedemsvaart waar ze werden beschoten door NBS-ers, die bij het EDS-busstation NSB-ers gevangen hielden. De Duitsers overmeesterden hen echter en zij moesten mee naar Balkbrug. Sommigen ontkwamen maar negen mannen werden door de Nederlandse SS doodgeschoten, op bevel van een Duitse officier. Gedurende enige jaren heeft er bij cafe Leunge een houten gedenkteken gestaan. Jammer genoeg is dat later weggehaald. Er is nu een gedenksteen in Dedemsvaart.

Iedere vierde mei denk ik aan de negen mannen die op 6 april 1945 werden doodgeschoten en dan zie ik hen weer met de handen boven hun hoofd voorbijgaan.

Mevr. A.C. Wassens-Wermer
Dalfsen


'MAAR TOEN SLIEPEN WIJ...'

Aan het eind van de oorlog was ik veertien jaar en wij woonden in Den Ham. Mijn vader was beurtschipper op Zwolle geweest, maar had voor de oorlog het schip verkocht en een vrachtauto terug genomen. In de oorlog moest hij met die wagen naar Duitsland. Dat had hij geweigerd en was daarom ondergedoken; de vrachtwagen stond defect in de schuur. De bevrijding kwam steeds dichterbij, daarom was mijn vader maar weer thuis gekomen. Kort voor de bevrijding haalden de Duitsers de wagen uit de schuur, terwijl vader thuis in een verborgen schuilplaats zat. Elke dag kwamen de Canadezen enkele dorpen dichterbij. 't Kon nu niet lang meer duren. Plotseling verschenen op een avond om ongeveer zes uur enige tanks bij de molen in het dorp waar ze stil hielden. De Canadezen, de bevrijding: wij er naar toe! Mensen klommen op de tanks; er werden vlaggen uitgestoken. Niemand wist echter hoe het precies zat, want er waren nog vrij veel Duitsers in en om het dorp, vooral in de school in het centrum. Er heerste een onzekere stemming, wat zou er gebeuren?

Toen een politieman in uniform op een tank klom, reageerde de bemanning direkt door de motoren te starten en het dorp weer te verlaten. De toegestroomde mensen realiseerden zich plotseling hun hachelijke situatie en zwerfden snel naar alle kanten uit. Inmiddels was het ruim acht uur en weer de avondklok. Ik was met een vriend bij ons uit de buurt. We wisten niet welke kant we uit moesten. Plotseling zag ik mijn vader met de buurman, de vader van mijn vriend. We waren nu met z'n vieren en moesten terug naar het centrum van het dorp, bij de school waar de Duitsers zaten. 't Was nu veel te gevaarlijk om op straat te zijn. Wij durfden geen van vieren weer naar huis. Na een lange sluiptocht door sloten en langs schuren en heggen kwamen we buiten het dorp bij een boerderij.

Daar hebben we die nacht in een stal gelegen. Van slapen kwam niets. We waren bang en maakten ons zorgen om thuis. Daar konden ze niet weten waar wij waren of wat er met ons was gebeurd. Achteraf hoorden we dat in het dorp veel mensen een angstige nacht hebben gehad. Men verwachtte maatregelen van de Duitsers of gevechten met de Canadezen. Ook hadden de Duitsers gezegd, dat ze de school zouden opblazen. 's Morgens vroeg zijn we doodmoe naar huis gegaan en waren dolgelukkig dat het allemaal goed was afgelopen. De nacht daarop verdwenen de Duitsers uit ons dorp. In de voormiddag zijn we na gevechten, waarbij buiten het dorp militairen en burgers zijn omgekomen, bevrijd. Maar toen sliepen wij....

E. Roelofs
Dalfsen


'VOORAL DAT MOOIE WEER IS IN MIJN HERINNERING BLIJVEN HAKEN'

Moffen die ons erf opkwamen. Mijn man en zijn hulp waren haastig verdwenen. Wel stonden op tafel vier gebruikte koffiekopjes en was er nog wat eigenbouw-shag achtergebleven. Maar deze soldaten kwamen niet om mensen, maar om paarden. Onder hevig protest van mijn schoonmoeder -ik was veel banger dan zij- namen de Duitsers de paarden mee. Ik zou maar meegaan 'zur BrŁcke', ze hadden de paarden maar even nodig en dan mocht ik ze weer mee naar huis nemen.

'Zur BrŁcke', naar welke brug? Ruim een kilometer verderop, aan de Soestwetering, waren we bij de bewuste brug. De gammele noodbrug was verzakt onder het gewicht van een Duitse militiewagen. Daar konden op dit moment geen paarden wat aan doen. Daarom werden ze, tot ze nodig zouden zijn, gestald op de naastgelegen boerderij De Stulte. Engelse jagers kregen de activiteiten van de Duitsers in de gaten en voerden beschietingen uit. Ik had me toen al teruggetrokken bij een oom en tante, zo'n tweehonderd meter van die brug en had daar dekking gezocht in de kelder met het op dat moment veeltallige gezin. Toen het even wat rustiger was geworden ging een van de mensen bovengronds kijken. Hij kwam terug met een onthutsend bericht:"De Stulte staat in brand.." Toen de vliegtuigen vertrokken waren, hoorden we de geruststellende mededeling:"Geen persoonlijke ongelukken". "En verder?"

"Alles verbrand, inboedel, vee, alles. Ja, ook de paarden". De paarden verbrand....paarden verbrand...onze paarden... Met dat bericht ging ik terug.


Inkwartiering

Groepen wisselden elkaar af. Op zeker moment een vijftal jonge Duitsers. Een van hen was op uitkijk geweest en kwam terug bij zijn kameraden met de mededeling:"Ich hŲre bestimmt die Tommy's". Kort overleg en daarna braken ze haastig op. Een volgende dag kwam een groep oudere soldaten; van de discipline en orde, die we van de Duitsers kenden, was bij hen niets meer te bespeuren. Ze waren de 'Krieg' zat en dat zeiden ze ook. Ze wilden graag eten, of we 'Pellkartoffeln' (aardappellen in de schil) wilden koken. 't Was een grote groep. Aardappels in de fornuispot. Verschillende van hen zochten met ontbloot bovenlijf een plaatsje in de voorjaarszon. Ze namen hun hemd onderhanden. Met mes, vork of lepel krabden ze door de naden van hun hemd om zo een deel van hun luizen en neten kwijt te worden. Op 13 april was Wijhe bevrijd. Wij, tussen Soestwetering en Oude Wetering, zaten 12 april in een Niemandsland. Verschillende boerderijen gingen in vlammen op.

Hierna kwamen we onder vuur van de Duitsers te liggen, dat kwam van de Gelderse kant van de IJssel. De geluiden van V1 en V2 kenden we, maar dit klonk anders. Granaatvuur? Mij werd verzekerd, dat als je ze hoort fluiten er geen gevaar meer is, want dan zijn ze voorbij. En waarom zou je bang zijn als je niets hoort? Ook met angst leer je omgaan, leer je leven. Op 14 april deden we ons vee de wei in. Uit veiligheidsoverwegingen. "Als we een voltreffer op ons dak krijgen zijn we alles kwijt", was het argument van mijn man. En de koeien kwamen niets te kort: volop gras en mooi weer. Vooral dat mooie weer is in mijn herinnering blijven haken.

K. Ruiterkamp-Post
Wijhe


'WAT EEN OPLUCHTING, WAT EEN OPWINDING'

Beklemmend stil was het buiten in Zwolle op die veertiende april 1945. Dit in tegenstelling tot de afgelopen nachten, die we in de kelder hadden doorgebracht, terwijl regelmatig granaten gierend rondvlogen, gelukkig over ons huis heen.

Een vreemde stilte. Toen we ons in onze tuin, grenzend aan de Potgietersingel, waagden zagen we in de verte het prachtige herenhuis van Van Haersholte in vlammen opgaan. Het gerucht ging, dat de geallieerden op het punt stonden Zwolle te bevrijden. Ik was twaalf jaar oud. En net zo min als ik op zevenjarige leeftijd kon geloven dat er oorlog was uitgebroken -dat kwam alleen maar voor in de geschiedenisboekjes- kon ik die dag niet geloven dat we bevrijd zouden worden. Op het Van Nahuysplein sleepten verzetslieden achtergebleven Duitsers naar buiten, voerden ze weg. De rest van de Duitsers was gevlucht. Vreemd, ze niet meer te zien. Met een paar vriendinnen liepen we richting Assendorp, vanwaar volgens de berichten de Canadezen zouden binnentrekken. We hadden ons kunnen onttrekken aan het oog van onze ouders, die op dat moment druk redeneerden met omwonenden en in hun opgewondenheid vergaten op ons te letten, zoals ze vijf jaar lang angstvallig hadden gedaan.

We vonden het eigenlijk allemaal best griezelig op straat, want het bevrijden van onze stad zagen we als een soort veldslag, die eerst zou moeten worden geleverd met alle gevolgen van dien. Het drong niet eens tot ons door dat de Duitsers 'm gesmeerd waren. Net waren we de Van Karnebeekstraat voorbij, toen we als aan de grond genageld bleven staan. Vanuit de Assendorperstraat kwam een lange Canadees helemaal in z'n eentje, met de stengun in de aanslag rondspiedend aangelopen. Dat grootse moment zal ik mijn leven lang nooit vergeten. Die ene man. Wat een moed, wat een held. Een achtergebleven, verscholen Duitse soldaat had hem zo kunnen neerknallen. Hij kwam alleen nader. Even later verscheen ver achter hem een heel leger jeeps, tanks en lopende manschappen. Ik werd er koud van. Daar waren ze, onze bevrijders. Mannen uit verre vreemde landen, die zomaar voor ons, Zwolse mensen uit het kleine Nederland, hun leven waagden. 't Was fantastisch....'t Leek net een droom.

Er kwam geen veldslag. We waren veilig, we waren vrij. We begonnen te juichen, te zingen en te dansen. Allerlei jonge vrouwen vlogen die Canadese soldaten zomaar om de hals. Vlaggen kwamen plotseling tevoorschijn. Uit ijlings te voorschijn gehaalde radio's schalde vaderlandse muziek door de open ramen. Vůůr we 't wisten zaten wij, m'n vriendinnen en ik, in een militaire jeep met een dikke breedlachende neger achter 't stuur. Wat een feest, wat een opluchting, wat een opwinding. Terwijl ik dit schrijf voel ik de spanning weer. Eigenlijk moest je door al die emoties lachen en huilen tegelijk. Die dag werd het lied: "Zwolle vrij, Zwolle blij" spontaan geboren. De rest van de dag beleefden we als in een roes. We reden mee op tanks door de stad. Op een gegeven ogenblik stonden we op de Grote Markt. Uit de Harmonie kwamen meisjes met kale hoofden. Ze waren gevangen genomen door mensen uit het verzet. 't Waren 'Moffenmeiden' zei men. Ze werden uitgescholden en uitgejoeld door het publiek.

Ik vond wel dat ze straf verdiend hadden omdat ze met de vijand hadden geheuld, maar de manier waarop stuitte mij, mij als kind, toch tegen de borst. Die kwam me toen wat minderwaardig voor, omdat het een beetje de manier van straffen was, die ook de vijand had gehanteerd. 't Voorval was een dissonant in mijn feestvreugde. Maar het feest ging door tot 's avonds laat. We konden zomaar na achten 's avonds de straat op. Dat was een belevenis, een dag om nooit te vergeten. Daarna werd de roes weer werkelijkheid. Er kwamen steeds meer dingen die konden en mochten. Maar er kwamen ook veel verdrietige dingen. Kennissen, die terug kwamen van onderduikadressen en kampen, kennissen, vrienden en vriendinnen waarvan je nu zeker wist dat je ze nooit terug zou zien. Kinderen van je eigen leeftijd, onschuldig vermoord.

Bevrijding 1945, nu veertig jaar geleden. Ik hoop dat mijn kinderen, 22, 20 en 12 jaar oud, uit mijn verhalen tijdens hun opvoeding de waarde zullen beseffen van de vrijheid die zij nu hebben. Het besef van hun zorgeloze jeugd in tegenstelling tot de mijne. Van zeven tot twaalf jaar: spannende avonturen, maar ook veel angst. Angst, omdat je wel eens dingen zei, die de Duitser niet moest horen, omdat je thuis dingen hoorde, die je nooit mocht vertellen.

Een Engels sprekende man, verstopt op een kamer in je huis. Nachtelijke bezoeken van je ouders aan ondergedoken Joodse mensen en meer van die dingen, want kinderen zien en horen veel. Angst dat ze je ouders zouden weghalen. Angst voor vliegtuigen, granaten. Een kogel die je vond in de dakgoot vlak onder je raam. Angst dat je niet meer vůůr acht uur binnen zou zijn. Vrijheid in 1985. Licht overal in huis en de gordijnen open. Gevulde etalages, eten in overvloed, snoep, zonder bon. Naar de disco, hoe laat 's avonds ook. Zingen en zeggen wat je wilt. Geen zoeken naar dekking bij 't horen van vliegtuiggeronk. Laten we allen, groot en klein, bewust zijn van onze vrijheid, op 14 april en 5 mei. Laten we denken aan hen, die die vrijheid voor ons hebben bevochten.

R.H.F. Bouwmeester-Bieringa
Zwolle


'DE CANADEZEN WERDEN MET OPEN ARMEN ONTVANGEN'

Als de dag van gisteren herinner ik mij nog dat Zwolle al was bevrijd, de Canadezen waren er al.

Wij woonden toen in Hattemerbroek, maar bij ons was het toen nog niet zover. Die dag mochten we niet meer na vier uur op straat. Alles was even verlaten. Ook de bakker kwam dus niet. Maar we wilden toch wel brood hebben. Ik besloot er op af te gaan, ondanks de waarschuwing van mijn man. Nu woonde onze bakker net bij de IJsselbrug. Ik liep met mijn tas over een binnenweg naar bakker Koopman. Tot mijn verbazing trof ik alleen Duitse soldaten. Ik vroeg waar onze bakker was. Die bleek verderop naar een boer te zijn gegaan. Toch was mijn tocht niet tevergeefs, ik kreeg die broden in mijn tas en aanvaardde de terugreis. Halverwege op dat weggetje begonnen ze vanuit de richting Heerde te schieten. Ik weet niet hoe vlug ik over die smalle sloot ben heengesprongen, precies bij een kazemat, daar was ik even veilig. Toen het rustig werd ben ik met mijn tas weer over de sloot gesprongen en kwam veilig thuis. De volgende dag kwamen de Canadezen ons bevrijden. Ze werden met open armen ontvangen.

Mevrouw D. Berger,
Zwolle


'IK VERGAT ZELFS M'N VERJAARDAG',

De bevrijding op 14 april 1945 was voor mij een onvergetelijke dag, ook al omdat het mijn verjaardag was. Zwolle was nog de avond ervoor nog beschoten. Die zaterdag hoorde ik 's morgens dat de Canadezen op de Grote Markt waren. Dat vond ik geweldig, dus vlug naar de Grote Markt (ik dacht helemaal niet meer aan mijn verjaardag)

Ik wist niet wat ik zag, al die voertuigen en Canadezen en burgers, een drukte van jewelste, iedereen was blij dat we bevrijd waren van de Duitsers. Maar wat bij ons de meeste aandacht trok, waren de Canadezen op hun motorfietsen. Het was prachtig hoe die Canadezen op die Norton's konden rijden. Ieder jaar op veertien april, als ik op mijn Norton naar de Grote Markt ga, denk ik het meest aan die tijd terug. Ik weet nog dat Prins Bernhard in Zwolle was, gezeten in een jeep. Iedereen zong toen ze de prins zagen en iedereen wilde hem een hand geven.

J.A. Otten
Zwolle


'DE DAG BEGON HEEL VERDRIETIG'

Zaterdag de veertiende april 1945 begon voor ons, bewoners van de Huygenstraat heel verdrietig. 's Morgens om zeven uur werd ik wakker gemaakt door mijn vader, die alsmaar riep:"De kelder in, er is iets mis, ik hoor het fluiten van granaten". Op hetzelfde moment glasgerinkel, geschreeuw en al dat soort dingen meer. Wij zaten met z'n vieren in de kelder, moeder, opa die bij ons inwoonde, mijn zusje en ik. Vader riep:"Ik moet helpen, de buurman ligt op de grond". Wij, bang dat er nog meer granaten zouden komen, bleven bij moeder. Na enige tijd kwam vader terug met de mededeling dat een granaat de grote pui van de fietswinkel op de hoek had geraakt en dat de voorgevel in puin lag. Op datzelfde moment was een buurman thuisgekomen van een strooptocht uit de Emmaschool. Daaruit waren de Duitsers 's nachts verdwenen en had hij nog een blok hout voor de kachel gehaald. Toen hij voor zijn huis was ontplofte de granaat die vanuit Zalne afgevuurd was door de Canadezen, om te zien of er nog tegenvuur kwam. Hij was op slag dood. Een andere buurman en een buurvrouw raakten gewond. Toen omstreeks negen uur de 'eerste Canadese bevrijder' door de Wipstrikkerallee kwam was er in onze straat al heel wat gebeurd. De vlaggen gingen uit. Na dit alles kwam er een ontnuchtering die ons opnieuw schokte. Een NSB-familie werd de BS met de handen omhoog weggevoerd, evenals een jong meisje dat met de Duitsers had aangepapt. Pas in de middag toen wij met onze ouders naar de vroegere herberg 'de Hanekamp' gingen kijken, drong het tot ons door dat we bevrijd waren door de Canadezen.

W. Batterink-van Orden
Zwolle


'OP VRIJDAG DE DERTIENDE SCHOTEN DUITSERS HOTEL WAANDERS KAPOT'

De bevrijding had ik me altijd heel anders voorgesteld. Ik had me voorgesteld allemaal verheugde mensen te zien, me overgelukkig te voelen! Voor mij betekende de bevrijding ook:"Weer naar huis". Voor de bevrijding was ik vanuit Zwolle geŽvacueerd bij mijn familie in Staphorst, die daar een hotel houdt.

Een paar weken voor de bevrijding was er bericht gekomen, dat een van mijn Staphorster ooms omgekomen was in Neuengamme, het beruchte concentratiekamp. Hij behoorde tot de groep van twintig Staphorsters die naar later bleek allen door de Duitsers zijn vermoord. Zo heerste er dan ook de zondag voor de bevrijding een droevige stemming in huis, ondanks al die verheugende berichten over de al dichtbij komende bevrijders. In de verte hoorde je het gerikketik van geweervuur. Om vijf uur die middag werd er gemeld dat er een gevechtswagen stond bij de kerk. Zou hij het kruispunt, waaraan het hotel ligt, durven naderen? Ja, hij kwam.... razendsnel rijdend tot op het plein voor ons huis. Iedereen rende naar de zolang verwachte bevrijder. Wij, mijn nichtje, neefjes en ik, gingen naar boven; vanuit een slaapkamer hadden we een goed uitzicht op de juichende menigte.

Zo zagen wij ook de auto, komend uit de richting Meppel. Duitsers? We stonden als aan de grond genageld. Mijn neef schreeuwde iets tegen de bevrijder, die kroop in z'n wagen en wij renden naar de kelder. Buiten barstte een luid geknetter los, een paar minuten lang en toen alles stil, vreemd stil. De Duitse auto was aan flarden geschoten en de twee inzittenden gevlucht. De bevrijder vertrok weer naar De Wijk en wij waren weer in Niemandsland. 's Avonds zaten wij na te praten over onze bijna-bevrijdingsdag. Tegen een uur of negen kwam er een witte bus aanrijden. Politiemensen, die bij ons zaten, zagen het gevaar en riepen: "Moffen, kruip naar de kelder!" Ik dacht meteen:"Die twee gevluchte Duitsers!" Bevend kropen wij naar de kelder.

We hoorden het geklap van portieren, gebons op de deuren, gestamp van laarzen rondom het huis. Iedereen luisterde met ingehouden adem. Ik dacht:"Nu zijn we verloren", maar eindelijk stierven de stappen weg. De volgende dag kwamen onze vrienden terug, eerst met een paar wagens, maar toen het donker werd, was het hotel ingesloten door veertien tanks en gevechtswagens. Die nacht vergeet ik nooit. De ondergrondse lag buiten op wacht. In huis werden kabels uitgelegd, zacht gepraat. Engels gesproken en echte koffie gedronken. Hoe veilig voelden we ons. Helaas, donderdags lieten ze ons weer in de steek. De dagen die volgden waren vol angst en spanning, want er werden steeds Duitse patrouilles gesignaleerd. De ondergrondse adviseerde ons verderop naar kennissen in het dorp te vertrekken. Dat was op donderdagmiddag. 's Nachts sliepen we (of niet) met veel buurtgenoten op het veilig geachte adres op de grond. Toen het dag werd, was het vrijdag de dertiende.....

Die dag kwamen tegen de avond uit de richting Zwolle vier tanks aangereden. Weer holden er mensen naar het kruispunt. Het bleken Duitse tanks te zijn, die meteen het hotel in brand schoten. Meerdere huizen volgden. Een hel....brandende huizen, gegil van mensen, hinnikende paarden. Gelukkig werd bij deze laatste stuiptrekking van de Duitsers niemand gedood en was de dag erop, zaterdag de veertiende april, de bevrijding echt een feit. De oorlog was voor ons voorbij. Nu veertig jaar later, zijn de huizen en het hotel allang weer herbouwd, het verdriet om de mannen, die als vee zijn weggevoerd en die geen van allen terugkwamen, gesleten, maar voorbij? In Staphorst zal de herinnering aan de bevrijding, bij hen die het allemaal hebben meegemaakt, altijd pijn blijven doen.

A. ten Brinke-Klosse
Zwolle


'TRIOMFTOCHT DOOR STEENWIJK BOVENOP DE CANADESE TANKS'

Mijn vader kwam die dag niet, zoals gewoonlijk, om half een thuis van zijn pluimvee bedrijf op de Woldberg. Natuurlijk maakten wij ons daar ongerust over in die tijd, waarin van alles kon gebeuren. Temeer daar ons intussen de kogels als het ware om de oren floten. Wij woonden in die tijd ongeveer in het verlengde van de Steenwijker toren, vanaf de kant van Eesveen gezien aan de Westwijkstraat 8 in Steenwijk.

Wat was er toch allemaal aan de hand? Plotseling zagen we Duitse soldaten langs het onderpaadje van de grachtwallen sluipen, hetgeen duidelijk duidde op een vluchtpoging. Omdat we aan de gracht woonden, konden we het een en ander vanuit de huiskamer gade slaan. Toen het schieten even ophield staken we, nieuwsgierig als we waren, even de neus buiten de deur. Wie schetste onze verbazing toen we bij de buren een Duitse soldaat tegen de wc-deur buiten geleund zagen (zogenaamde plee) die ook beschutting zocht tegen de in 't rondvliegende kogels. Een broekje was het nog. Angstig stond hij daar naar ons te kijken. Een ventje om meelij mee te krijgen. Maar ja, je kon hem ook niet binnenroepen want het was onze 'vijand'. Eindelijk kwam mijn vader thuis; een zucht van verlichting ging door ons (mijn moeder, mijn negen jaar jonger zusje en mij) heen en we hingen aan zijn lippen toen hij zijn verhaal vertelde. Precies op tijd, net als elke dag, was hij van zijn werk weggefietst.

Hij reed altijd door landerijen, omdat de kortste weg naar huis was. Halverwege had hij een aantal militaire voertuigen op 'de grote weg' gezien, komende uit de richting Frederiksoord. Het bleken tanks te zijn. Mijn vader had meteen in de gaten dat het 'de Canadezen' waren. Heel rustig is hij er achteraan blijven fietsen. Op een gegeven moment werd er halt gehouden en werd de torentrans beschoten; vandaar die kogelinslag in onze achtertuin. Achteraf bleek dat men in de veronderstelling verkeerde dat de transen afweergeschut of mensen waren. Doch toen er niet teruggeschoten werd, reed de stoet weer kalmpjes aan verder. Toen werden nog enkele fabrieken en magazijnen grondig doorzocht en toen ze daar ook geen tegenstand ondervonden, werd doorgereden tot vlakbij de spoorwegovergang. Mijn vader werd geen strobreed in de weggelegd, maar hij mocht ook niet passeren.

Volgens zijn verhaal ging het er nogal gemoedelijk aan toe. Hij maakte namelijk een praatje met onze bevrijders en hij kreeg wat lege patroonhulzen en een doosje sigaretten van het merk Player als 'souvenir' mee. Na gefouilleerd te zijn mocht hij doorrijden, terwijl de tanks rechtsomkeert maakten en pas de volgende dag terugkeerden om ons werkelijk te bevrijden. Dit heeft volgens mij niet al te veel moeite en zeker geen slachtoffers gekost. En toen begon het feest, waarop we al zolang gewacht hadden, eigenlijk toch nog onverwachts. 'Onze jongens' van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en ook wel meisjes hoor, maakten, gezeten bovenop de Canadese tanks, een triomftocht door de straten van Steenwijk.

G. Holleboom-Akkerman
Zwolle


'SCHRILLE TEGENSTELLING: BEGRAFENIS ... FEEST'

Heerde beleefde de bevrijding op 17 april 1945 met grote tegenstellingen. Op vrijdag 13 april 1945 werden in Markluiden (buurtschap in Heerde) twaalf mensen door de Duitsers doodgeschoten. De ondergrondse had namelijk opdracht gekregen te voorkomen dat de Klementbrug (in Markluiden) werd opgeblazen bij de terugtocht van de Duitsers. In een schuur aldaar verbleven die nacht diverse leden van de ondergrondse, toen terugtrekkende Duitsers een spleet licht onder de deur van de schuur zagen. Het vinden van een zak met overalls, oranje armbanden en stenguns van de leden van de ondergrondse, was voor de Duitsers aanleiding in het wilde weg te schieten. Enkele ondergrondsen konden vluchten, maar een van hen, Co Pleiter, werd op de vlucht doodgeschoten en bleef op het land liggen. De gehele buurt werd afgezet,maar de vader van Co's verloofde wist met een kruiwagen door de afzetting te komen en het lijk van Co op te halen.

De slachtoffers werden door de Duitsers in een grote kuil gegooid; alleen Co Pleiter kon op 17 april normaal op de begraafplaats begraven worden. Daar zijn verloofde bij ons op het distributiekantoor werkte, kregen wij 's middags vrijaf om de begrafenis bij te wonen, die zeer indrukwekkend was. Toen de begrafenisstoet (natuurlijk iedereen lopende) op de terugweg het dorp naderde, werd er geroepen: de Canadezen zijn op het dorp! Eerst was er nog even paniek, want een enkele Duitse soldaat die in de school aan de Stationsstraat was achtergebleven, begon te schieten, maar werd spoedig afgevoerd. Toen verschenen de vlaggen en kon het feest beginnen.

Wat een schrille tegenstelling: begrafenis .......feest!

Foekje Bennekers-Koopmans
Heerde


'DE BAKKER ZEI DOODKALM:'IK HEBBE VEUR ZE UUT EFIETST'

Acht april 1945, acht uur voormiddag. We zaten met de familie, waar we waren ondergedoken, in de kelder te ontbijten. De hele nacht was er heel dichtbij geschoten en 'dus' hadden we in de kelder 'geslapen'. We wisten 'vanuit' Londen dat de Canadezen naar de IJssel trokken en dus moesten ze niet veraf zijn.

Er kwam iemand de keldertrap af, het was onze bakker. Doodkalm, net als iedere andere ochtend! Op onze vraag:'Hoever zijn ze?' zei hij heel kalm: 'Ze kump achter mie oan, ik hebbe veur ze uut efietst'. En op onze vraag, wie er wel achter hem aan kwam zei hij:'Nou wie denk ie wel, de Canadezen natuurlijk of dach ie soms de Duutsers??? Ga zelf maar op de weg kieken'. We renden allemaal de weg op en jawel hoor, daar kwam een colonne tanks aanrijden. Wij holden ze tegemoet en ik vloog de eerste de beste militair huilend van vreugde om de hals en riep:'Thank you, thank you...'.

M'n man was kalmer en vroeg:'Kunnen we misschien iets voor u doen. Weet u dat er nog Duitsers in dat bosje achter die boerderij zitten? 'Ja, dat weten we', antwoordde de Canadees, maar kunt u ons misschien een paar eieren bezorgen, we hebben nog niet ontbeten'. Onze zoon rende al weg naar de boerderij en kwam met handen en broekzakken vol eieren terug. Als beloning mocht hij op een enorme stafkaart aanwijzen waar we ons nu precies bevonden, waar de Duitsers nog in het bos zaten en ook waar de weg naar de IJssel liep. Doodkalm werden toen de eieren gebakken en opgegeten. Onze zoon vertelde nog dat er een flinke versperring van betonblokken over de weg op ongeveer honderd meter afstand was. De Canadees lachte en zei:'Haal maar gauw wat hulp, dan zullen we allemaal dat ding wel even wegduwen'. Toen er een groepje mensen was opgetrommeld (mannen, vrouwen, kinderen en onderduikers) ging de stoet op weg. Bij de versperring aangekomen werd een tank tegen het midden gezet en de 'helpers' moesten aan de zijkanten gaan duwen. Het commando klonk:'One,two,three' en na enige vergeefse pogingen capituleerde de versperring en de colonne reed, onder luid gejuich IJsselwaarts.....We wuifden nog lange tijd van beide kanten en toen realiseerden we ons:'Wij zijn vrij!'

L.J. Marcus-Leydesdorf
Wapenveld


'ONWETEND VAN WAT OP EEN KILOMETER AFSTAND PLAATSVOND'

Na een langdurige vorstperiode in de winter van 1944/'45 met veel sneeuwval in januari, gepaard gaande met vooral groot brandstoffen tekort en steeds minder voedselverstrekking op de distributiebonnen, ging men het voorjaar in met het gevoel 'Hoe zal het verder aflopen, na de mislukte slag om Arnhem'.

Toch naderde toen het oorlogsgeluid in april, juist van de kant waarvan men het niet verwacht had, nl aan de oostzijde van de IJssel. Vanaf Zutphen richting Deventer, werd het steeds duidelijker hoorbaar. Toch gaf het een heel ander gevoel van spanning dan het oorlogsgebeuren in de meidagen van 1940. Ik bevond mij toen als soldaat bij Ochten in de Betuwe. De bevrijding was in aantocht,maar hoe zou die voor ons dorp en omgeving aflopen. Aan de oostzijde van de IJssel volgde een zeer snelle doorstoot naar het noorden. Olst-Wijhe en Zwolle waren reeds bevrijd en wij op de oost-Veluwe wachtten het verdere gebeuren vol spanning af. Eerst deed zich nog een dramatische ontwikkeling voor in onze buurtschap Markluiden. De plaatselijke illegaliteit had opdracht gekregen een brug over het Apeldoornskanaal te beschermen.

Zij waren bij de Klementsbrug aanwezig, maar werden in de vroege morgen van 12 op 13 april verrast door verspreid terug trekkende groepjes Duitsers, dit had tot gevolg dat na een kort vuurgevecht, twaalf personen werden gedood, naast illegale verzetwerkers ook enkele buurtbewoners en dit alles zonder enige vorm van proces. Zelf werd ik die morgen op weg naar mijn werk, door een Duitse patrouille teruggestuurd naar huis, niet wetende wat op een afstand van nog geen kilometer van de plek, waar ik het schieten wel had gehoord, had plaats gevonden. Dit was een zware tol die betaald werd, voorafgaande aan de bevrijding van onze gemeente Heerde. De terugtrekking van de Duitsers had als oorzaak, dat tussen Gorssel en Wilp, door de Canadezen op 11 april een stevig bruggehoofd over de IJssel kon worden gevormd, zodat van hieruit de opmars richting Apeldoorn plaatsvond. De drie bruggen van Kerkdijk, hoofdweg van Heerde met Veessen aan de IJssel en richting Deventer liggende over de Weteringen, werden zowel als de bruggen over het Apeldoorns- kanaal op 14 april opgeblazen, waarbij ook ons boerderijtje bij de Nieuwe Weteringbrug zwaar werd beschadigd. De eerste bevrijders kwamen via deze opgeblazen bruggen op 15 april in ons dorp. De Duitsers waren op 14 en 15 april uit onze omgeving vertrokken, de spanning werd steeds groter, wat stond er nu verder te gebeuren, er heerste een haast ondraaglijke stilte tot dat in onze buurt opeens de mare van huis tot huis ging:'ze komen er aan, over de kapotte bruggen vanaf de IJssel'.

Niet te geloven, maar ja hoor, het was een Canadese-verkenningspatrouille van twee man. Een buurtgenoot ging als tolk met hen mee. Mijn moeder had al gauw twee rood-wit-blauwe kindervlaggetjes tussen de lakens vandaan gehaald, die ze aan mijn twee jongste zusters Tina en Mientje gaf en ze gingen hen al zwaaiend tegemoet. De twee Canadezen kwamen bij ons achter het huis -dit is een niet te beschrijven moment van blijde kennismaking- zeiden dat het nog te vroeg was om te vlaggen. Hun opdracht was alleen Heerde te verkennen. Na hun dorst gelest te hebben -melk was wel aanwezig- ging men richting dorp Heerde. Daar werd contact gelegd met de ondergrondse, met de mededeling dat men zich voorlopig nog rustig moest houden, al waren de Duitsers uit het dorp en omgeving vertrokken, men wist niet waar ze zich bevonden. De patrouille ging dezelfde weg terug, met bij zich een achtergebleven Duitse deserteur en wij wachtten op de verdere ontwikkelingen. Deze volgde reeds spoedig, op 17 april, een stralende lentedag (gelijk ook 10 mei 1940) werd na de bevrijding van Apeldoorn ook Heerde tot bevrijd gebied gerekend. Een ieder beleefde de bevrijding op zijn eigen manier, al naar gelang men de oorlogsdagen van 1940 -de bezettingstijd- en de dagen voor de bevrijding ter plaatse had meegemaakt, maar voor allen overheerste toch een geweldige blijdschap, het gevoel verlost te zijn van een zware druk.

De bevrijding van ons dorp op 17 april vormde daarom een grote opluchting, de ene vlag na de andere verscheen en hoog van onze plaatselijke toren, wapperde weer als vanouds fier het ROOD-WIT-BLAUW.

W.J. van den Brink
Heerde


ZUSJES JANSEN OPENDEN DEUR NAAR VRIJHEID

Tientallen gevangenen met hulp van Zwolse verzet ontsnapt aan gestrand transport voor Buchenwald.
Co Geurts en de meisjes van het Heerelogement.

Zwolle- In oktober en november 1944 vertrok iedere week een trein uit Amersfoort naar Buchenwald. De Duitsers brachten duizenden Nederlandse concentratiekampgevangenen naar kampen in het oosten. Daar wachtte hen een wreed lot. Niet alle gevangenen kwamen daar aan. Sommigen stierven onderweg, anderen ... verdwenen. Wat was er gebeurd? Een van de transporttreinen strandde in Zwolle. Uit dit transport werden door Zwolse verzetsmensen tientallen gevangenen bevrijd. Co Geurts (59) nu wonende in Purmerend was een van hen. Hij vertelde ons het verhaal van zijn bevrijding. Co Geurts werd in de zomer van 1944, achttien jaar oud, opgeroepen voor de arbeidsinzet in Duitsland. Hij dook onder, maar bleef niet lang op vrije voeten; de Duitsers arresteerden hem op het station in Ede. Via de koepelgevangenis in Arnhem -waar hij werd mishandeld- kwam hij terecht in het kamp Amersfoort. Het concentratiekamp Amersfoort was in tweeŽn verdeeld. Midden door het kamp liep een prikkeldraadversperring. Aan de ene kant zaten degenen die zich aan de arbeidsinzet hadden onttrokken, aan de andere kant de politieke gevangenen. Die groep, met grote rode kentekens op hun rug en knie, had het zwaar. Kampbeul Kotšlla zwaaide de scepter over de ongelukkigen, voedsel kregen ze nauwelijks, slaag des te meer. De gevangenen werden 'grote rode ballen' genoemd. Co Geurts kwam in deze groep terecht.

Verschrikkelijk

'Het was verschrikkelijk', vertelt Geurts. 'Al die kerels, in lompen gehuld, met een kale kop: het leken net konijnen'. Ze werkten in het kamp. Soms moest een ploeg buiten het prikkeldraad aan de slag. Als van hen probeerde er vandoor te gaan, kregen alle gevangenen er van langs.'De hele dag kregen we niets te eten. Tot negen uur 's avonds moesten we in de 'Rosengarten' staan. Dat was een met dik prikkeldraad omheinde ruimte voor de appelplaats. De moffen liepen er rond. Als je bewoog, bijvoorbeeld met je ogen knipperde, sloegen ze je helemaal in elkaar'. Co Geurts zag hoe een gevangene werd doodgeknuppeld. De Duitsers waren onberekenbaar:'Kotšlla liep te vloeken. Ineens stond hij voor me. Hij trok zijn revolver, zette 'm tegen mijn hoofd en zei:'Ik schiet je kapot'.

De andere Duitsers moesten er om lachen, maar hij liet me gaan'. Co Geurts werd negentien op 13 september 1944, al behoorlijk verzwakt door voedselgebrek, het strenge kampregime en ongedierte. De transporten naar Buchenwald begonnen. 'In het kamp circuleerden berichten dat in Buchenwald mensen werden afgemaakt. We namen ons voor te ontsnappen bij de minste of geringste mogelijkheid, maar de kans was klein. 's Avonds marcheerden duizend gevangenen naar het station in Amersfoort. Naast de gevangenen liep om de twee meter een Duitser, gewapend met machinegeweer. Ze werden de trein ingeslagen. De rit duurde de hele nacht. Tot ieders verbazing stopte de trein in Zwolle. 'We werden eruit gejaagd, moesten de weg oversteken en werden opgesloten in de BuitensociŽteit'. Als gevolg van de spoorwegstaking bleek de trein niet verder te kunnen. Gedurende de volgende dagen werden de gevangenen geregistreerd, ontluisd (Geurts' hele bovenlichaam was bedekt met luizebeten) en tewerkgesteld aan verdedigingswerken van de Duitsers bij de IJssel. Na twee dagen graven van tankvallen kreeg Co Geurts een verschrikkelijke pijn aan rechterwijs en middelvinger. Onder bewaking van een Nederlandse politieman mocht hij naar het ziekenhuis om zich te laten behandelen. Die politieman, Jan Wagenaar, betekende zijn redding.

Zwolse KP

Jan Wagenaar stond namelijk in contact met het Zwolse verzet. Zwollenaren hadden zich het lot van de gevangenen in de BuitensociŽteit aangetrokken. Dagelijks werd voedsel, vooral brood en fruit naar het gebouw gebracht. De Duitsers, soms wat milder gestemd vanwege de naderende nederlaag en opkomend berouw, stonden dit toe. Onder de Zwollenaren die de gevangenen te hulp schoten, bevonden zich ook de gezusters Jansen: de meisjes van het Heerelogement. Voor de oorlog dreef de familie Jansen een hotel, het Heerelogement aan de Grote Markt. In de dertiger jaren verhuisde hotel Jansen naar de hoek van de stationsstraat en de Van Nagellstraat. In de oorlogsdagen van mei 1940 hielpen de meisjes Jansen al Nederlandse soldaten, die zich terugtrokken over de IJssel.

Omdat de bruggen waren vernield, moesten de militairen met bootjes de rivier oversteken. Al gauw werd bekend dat de familie Jansen anti-Duitse was. En het was nier verwonderlijk dat Joop Verheul, de commandant van de knokploeg (KP), de zussen Cor, Lies en Hermien vroeg voor het verzetswerk. Inmiddels was de familie het hotel kwijtgeraakt na een gewelddadige Duitse huiszoeking. Even verderop in de Van Nagellstraat werd in een souterrain een nieuw restaurant geopend, de familie vond een woning in de Enkstraat.

'Wij deden koerierswerk', vertellen Lies Poldermans-Jansen (62) en Hermien Beek-Jansen (60) ons nu. 'Vader en moeder hadden slechts een voorwaarde gesteld, een van ons moest steeds thuis zijn om te helpen'. De drie zussen (een vierde vertoefde elders) fietsten grote afstanden voor het verzet. Niet alleen vervoerden zij papieren, ook brachten zij wapens, vluchtelingen en zelfs een Engelse piloot achterop de fiets van Zwolle naar Amersfoort.

Lies had contact gelegd met de politieman Jan Wagenaar bij de ingang van BuitensociŽteit. Na de behandeling in het ziekenhuis gingen Wagenaar en Geurts op bezoek bij de familie Jansen in de Van Nagellstraat. Co Geurts kwam er verscheidene malen terug. Hij mocht, op ziekenrapport, in Zwolle rondlopen. Een van zijn medegevangenen in de BuitensociŽteit stond borg. Als Geurts niet terug kwam, dan zou deze gevangene worden doodgeschoten. Tijdens de bezoeken aan de Van Nagellstraat werd de ontsnapping van Co Geurts gepland. Hij moest een makker uit de BuitensociŽteit meenemen. Na anderhalve week namen de twee de benen. In het donker, maar nog voor het ingaan van de spertijd, kwamen de twee mannen naar buiten, via de deur rechts van de hoofdingang van de BuitensociŽteit. Deze deur leidde naar de latrine buiten. Het terrein werd omringd door een prikkeldraadversperring, bij de uitgang stond een schildwacht. Achter diens rug kropen de twee langs de hoofdingang van de BuitensociŽteit totdat ze het steegje bereikten dat rondom het gebouw loopt. Geen van beide, doodsbange mannen, wist wat zij daar zouden aantreffen. Gelukkig stond er niemand. Ze slopen verder, nog steeds langs het gebouw, tot ze de tuin achter de BuitensociŽteit bereikten. Via een muurtje belandden ze in de Stationsstraat. Vandaar was het nog een klein stukje naar de Van Nagellstraat. 'We droegen een hoofddeksel om onze kale kop te verbergen'.

Achterop

De volgende dag vertrokken Co Geurts en zijn makker achterop de fietsen van Cor en Hermien Jansen uit Zwolle. Ze waren inmiddels voorzien van vervalste persoonsbewijzen. De KP in Zwolle kreeg deze persoonsbewijzen van kapelaan Hutjes van de St Michaelskerk. Kapelaan Hutjes had ze uit het bevolkingsregister laten stelen. Bij het Engelse Werk staken de meisjes en de twee vluchtelingen de IJssel over. 'Je kon erop rekenen', vertelt Hermien Beek-Jansen nu,'dat bij iedere tocht daar een zwijgzame oude man zat te wachten in zijn bootje tussen het riet. We zijn er nooit achter gekomen wie hij was, maar hij was er altijd'. Na de tocht, die de hele dag in beslag nam en niet zonder gevaar en spanning was, arriveerde het viertal om acht uur 's avonds in Utrecht. Co Geurts en zijn makker waren veilig. Later hoorde Geurts dat het transport waaraan zij waren ontkomen, via Zevenaar naar Buchenwald was gedeporteerd. Voordat het zover was, waren er meer ontsnappingen uit de BuitensociŽteit. Niet alle vluchters gingen er op eigen houtje vandoor. In enkele gevallen wachten Lies Jansen de ploeg op, die naar het werk vertrok. Vlug werd een van de mannen in het steegje naast de BuitensociŽteit getrokken en gingen ze er vandoor. Ook kon een flink aantal mannen worden gered, die waren opgepakt voor de arbeidsinzet in Duitsland.

Gearresteerd

Eind maart 1945 moest de familie Jansen dit werk staken. Een van de 'knullen' uit de BuitensociŽteit was gegrepen met een vervalst persoonsbewijs in zijn bezit. Lies werd door de Duitsers gearresteerd en geslagen. Zij kon hen om de tuin leiden en kwam weer vrij. De bevrijding van Zwolle verhinderde verdere Duitse maatregelen tegen de familie Jansen. In de gehele periode hebben tientallen mannen geprofiteerd van de hulp van de familie en de Zwolse KP.

Lies en Hermien denken dat zij ongeveer dertig gevangenen uit de BuitensociŽteit hebben helpen vluchten. Hermien bracht er twintig op de bagagedrager weg. Zowel in de woning in de Enkstraat als in het restaurant in de Van Nagellstraat zaten voortdurend vluchtelingen ondergedoken. Met steun van vele Zwollenaren konden zij worden verzorgd. Zonodig was er ook voor de voedselzoekers uit het westen in de hongerwinter een plaats aan tafel. Moeder Jansen stond er om bekend:'Tante Riekie maakt wel eten', zeiden ze aan de IJssel. De moeder van Cor, Lies en Hermien antwoordde:'Als er iemand belt, moeten we dan dichtdoen?'

Ben Braber.


'SWEET CORPORAL, DAT MERK WAS GEWELDIG'

We woonden toen Diezerplein 32-6 in Zwolle. Het was op 14 april 1945, die nooit te vergeten dag, mooi lenteweer, plusminus twaalf tot veertien graden. We hadden al dagen in spanning geleefd. Iedereen in de buurt was er zich via de Engelse zender van bewust: het heeft de langste tijd geduurd dat we met de bezetting van de toen gehate Duitsers te hadden. Veel mensen gingen die laatste dagen in kelders onder de bedstee zitten, bang voor bombardementen en beschieting. Op de bewuste morgen van de 14e kwam al gauw het bericht:'De Canadezen komen via de Wipstrikkerallee de stad binnen' en dat bleek later op de dag ook.

Met kennissen uit de buurt zijn we toen de binnenstad ingegaan. Geleidelijk aan liep het daar storm. De Canadezen kwamen in tanks op de Grote Markt. Voor de Harmonie was het minstens zo vol met mensen als nu met Koninginnedag en carnaval. Ik kreeg in gebrekkig Engels contact met Frans-Canadezen. Ze hadden inmiddels al trossen leuke meiden bij zich op de tanks. Enkelen wilden wel eens nader kennis maken en gingen met me mee naar ons huis. Onder het gebruik van een kopje thee kwamen de Canadese sigaretten op tafel. Ik meen dat het Sweet Corporal was, dat merk was iets geweldigs. Zulke fijne tabak daarin zat, niet te vergelijken met de surrogaat sigaretten en Belgische shag. Om de stemming erin te brengen ben ik 's avonds even erop uit gegaan voor een of ander drankje. Op het Grote Kerkplein was een adres waar klandestien sterke dranken verkocht werden. Ik kocht er twee flessen cognac voor plusminus 300 gulden. Ermee thuis gekomen meteen maar de glaasjes gevuld en er op geproost met de Canadezen. Het was een feestavond om nooit te vergeten. De dagen en weken die er op volgden bleef het feestvieren. Elk buurtje in Zwolle, hoe klein ook, organiseerde feesten. Voor diverse vrouwen was de bevrijding minder leuk en ook voor sommige mannen liep het slecht af. Meisjes die veel met Duitsers op stap geweest waren werden kaal geknipt en mannen werden opgepakt en gevangen genomen.

D. Meijerink,
Zwolle.


'IK WAS VERBAASD MAAR EEN CANADEES TE ZIEN'


Op het moment dat de oorlog begon was ik in dienst bij de Koloniale Reserve (KNIL) en wij stonden klaar om in juni '40 te vertrekken naar IndiŽ. Tijdens de bezetting ben ik krijgsgevangene geweest en ter gelegenheid van de verjaardag van Hitler in '41 weer vrijgelaten. In 1942 ben ik gearresteerd door de Gestapo in Groningen en na een grondig verhoor na acht dagen weer vrijgelaten. In 1943 ben ik getrouwd en gaan wonen in Zwolle.

Op een gegeven moment, terwijl ik niet thuis was, werd mijn vrouw gewaarschuwd dat men mij zocht en toen ben ik gaan onderduiken in de Noord-Oostpolder. Kort voor de bevrijding kwam ik thuis om geld te brengen aan mijn vrouw, maar ik kon niet meer terug naar de polder en moest helpen loopgraven te graven. Dagelijks zagen wij grote aantallen vliegtuigen overvliegen en dan vraag je je af'Hoe zal dit aflopen, wanneer komt er een eind aan'.

En dan is het zover, dan is het zaterdagmorgen 14 april 1945. Ik sta naar buiten te kijken en zie een motor aankomen met een Canadese militair met als passagier iemand van de ondergrondse. Direct hierna ben ik de stad ingelopen en zag voor hotel Peters (Grote Markt) een Canadees op de grond zitten met een mitrailleur. Ik was wel erg verbaasd maar een Canadese soldaat te zien. Een moment heb ik gedacht: zijn dit wondermensen, kan een enkeling zomaar een overmacht op de vlucht jagen. Maar even later kwamen de eerste colonnes binnenrijden. de klokken begonnen te luiden en overal begon men de Nederlandse vlag uit te hangen. Op dat moment begon ik te beseffen wat bevrijding is: niet meer bang behoeven te zijn om opgepakt te worden, dat je weer vrijuit kunt praten en hopelijk weer fatsoenlijk eten te krijgen want dat was er op dat moment nog niet. Pas na de algehele capitulatie hoor je hoeveel mensenlevens het gekost heeft om ons te bevrijden van een ondragelijk juk. Misschien is het wel eens nodig er zo nu en dan eens aan herinnert te worden wat het zeggen wil bevrijd te zijn, maar nog veel meer om bevrijd te blijven.

H.M. Fiet
Zwolle


'IK KAN HET VOLKSLIED NIET ZINGEN'
-'k heb een prop in de keel en tranen in de ogen-

Na een rumoerige nacht en angstige avond is de nacht onwezenlijk stil. De kinderen van de achterburen slapen voor de veiligheid in onze kelder, wij liggen in de woonkamer, zover mogelijk van de ramen af.'s Morgens vroeg horen wij zware dreunen. Dat zullen de bruggen zijn die de lucht ingaan. Er lopen mensen in de straat die wij horen praten over doden, die de vorige avond in Assendorp zijn gevallen.

Op de hoek van de straat staan enkele buren te praten, terwijl ze de Wipstrik inkijken. Als ik weer in huis ben opeens een paar scherpe knallen en op dat ogenblik schijnt de wereld te zijn veranderd. De straat is vol blauwe rook en we horen mensen gillen. Ondanks de waarschuwing van de vrouwen gaan we beiden met de Eerste Hulp-kist naar buiten. Vlakbij ligt mijn zwager te bloeden en iets verder een buurman die blijkbaar al dood is. Op de hoek van de straat een lichaam met open buik. De armen bewegen nog en de man kijkt mij met vreselijke pijnogen aan. Ik voel een gruwelijke onmacht. Wat kunnen wij met onze eenvoudige EHBO-spullen hier beginnen? Even later knielt een werkelijke dokter bij dit slachtoffer en geeft hem een spuitje tegen de pijn.

Hoe die arts hier gekomen is is een raadsel. Maar hij is er, evenals een professionele EHBO-er die onze amateuristische pogingen coŲrdineert. Wij organiseren een ladder om als brancard te gebruiken. Om de gewonden af te voeren laden wij ze in een roeiboot omdat we de Vechtbrug niet neer kunnen krijgen. Als we midden op het water zijn, draaft een mof in onze richting over de Vondelkade en schreeuwt dat hij de boot moet hebben. Hij richt zijn geweer maar als wij beduiden dat wij gewonden vervoeren loopt hij gelukkig door. Ik realiseer mij dat het eigenlijk allemaal net een waanzinnige droom is deze morgen. Ook dat alles in het ziekenhuis alles gereed staat om de gewonden onmiddellijk te verzorgen. Als wij van het ziekenhuis terug zijn staan veel buren op de hoek en kijken de Wipstrik in.

Er zijn schoten gehoord uit de richting van de overweg. Dan zien we de eerste Canadese soldaat. Met het geweer in de aanslag loopt hij tussen de bomen, scherp naar alle kanten kijkend. Wij juichen en klappen in de handen als hij bij ons is. Hij grijnst met zijn ene oog, het andere zit verborgen achter een lap. Hij vertelt dat hij Major heet en dat zijn kameraad Archenault door een Duitse sluipschutter doodgeschoten is. Hij heeft de mof neergelegd. Dan zijn de NBS-ers bij ons en melden Major, dat Zwolle moffenvrij is. Een koerier geeft het door aan de batterij in de richting Dalfsen. Er behoeft niet geschoten te worden. Als later op de morgen grote groepen Canadezen de Wipstrik uitkomen halen wij een van die jongens naar binnen. Mijn buurman heeft nog een fles cognac bewaard voor dit heuglijke ogenblik. De Canadees lacht als wij hem de schuilplaats van onze fietsen laten zien. Wij hadden ze onder het tuinhuisje begraven.

's Middags gaan we de stad in. Op de Melkmarkt zijn NSB-ers uit hun huis gehaald. De familie staat met de armen in de hoogte voor de woning. Een van hen moet het radiotoestel boven het hoofd houden. Hoezeer wij hen deze vernedering ook gunnen, het is toch een naargeestig gezicht. Maar dan klinkt ineens het Wilhelmus over de Melkmarkt. Iemand heeft een plaat op de grammofoon gelegd en uit het open raam klinkt na zoveel tijd het volkslied. De mensen die het horen staan stil, hoeden gaan af en er wordt meegezongen: 'Den Vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood!' Het lukt mij niet om mee te zingen. Ik voel een prop in mijn keel en tranen in mijn ogen. Wat er op dat ogenblik in mij omgaat laat zich niet beschrijven. Een overweldigend vreugdegevoel, maar ook rouw om de kameraden voor wie die regel uit het Wilhelmus keiharde werkelijkheid werd. Wat in verwarring door tegenstrijdige gevoelens lopen wij over de Grote Markt en door de Diezerstraat. Overal vlaggen en vrolijke mensen.

Wij zijn vrij. Maar zo sterk als nu voel ik dat er nog ontzaglijk veel puin, als nasleep van de bezetting door ons geruimd moet worden.

J.W. Zweers
Zwolle


'WE LACHTEN, HUILDEN, SPRONGEN EN GILDEN'

Als ik aan de bevrijding terug denk, schiet een gebeurtenis me altijd te binnen. We woonden in tamelijk grote huizen. Links van ons woonde een joodse vrouw van ongeveer vijftig jaar en rechts van ons zat het huis vol Duitse soldaten. Die vrouw gedroeg zich als andere mensen; ze droeg geen jodenster, wel had ze een pruik op en altijd een zwarte bril. Als ze langs die soldaten ging, liepen de rillingen over mijn rug.

Nu de bevrijding. Wij waren ons huis aan het leeghalen, de vorige dag was het gebombardeerd en ik kreeg een woning van een op Dolle Dinsdag weggelopen NSB-er. Het was helemaal intact, de oude bloemen stonden nog op tafel. Wij stonden buiten bij ons paard en wagen met huisraad. Ineens hoorde ik een donderend lawaai. Ik keek naar boven en zag Zweedse vliegtuigen, ze strooiden eten naar beneden. Gelijk zag ik de deur van mijn buurvrouws huis opengaan, ze sprong en liep en sprong. Ze gooide haar pruik en bril in het gras en gilde maar: We zijn vrij, we zijn vrij! Ik holde naar haar toe, pakte en omhelsde haar en samen sprongen, gilden, liepen, vielen en dansten we over dat grasveld. Doodmoe en oneindig gelukkig vielen we hijgend in het gras en begonnen de pruik en de zwarte bril te vertrappen. We keken elkaar aan, lachten en huilden tegelijk en begonnen weer te roepen: We zijn vrij! Dit voorval staat in mijn geheugen gegrift. Ik heb geprobeerd de intense vreugde over te brengen op papier, maar woorden schieten te kort.

J.W. Waterdrinker-Van Spronzen
Zwolle


'DE MOOISTE MORGEN DIE IK OOIT MEEGEMAAKT HEB'

Tijdens de vijf jaar overheersing door Duitse dwingelandij woonde ik in Witharen, een buurtschap tussen Ommen en Balkbrug, waar ik sinds 1937 als boer een bestaan probeerde te verwerven, hetgeen redelijk goed gelukte. Die jaren van druk en benauwdheid ben ik met mijn vrouw en onze twee kinderen, ondanks veel wederwaardigheden, toch best doorgekomen.

Doordat wij zelf granen en peulvruchten verbouwden; volop melk hadden en daarvan zelf boter karnden en soms clandestien een varken extra slachtten, was er niet alleen voor ons gezin voldoende te eten, doch konden wij tevens hen die hongerden en degenen die als onderduikers bij ons een schuilplaats vonden, daarin laten delen. Het verbergen van verdrevenen waaronder enkel maanden lang een joodse jongen, gaf menigkeer aanleiding tot spannende uren, doch de gevreesde gevolgen van deze overtredingen der Duitse verordeningen kwamen gelukkig niet. In al die jaren bleef bij mij de vaste overtuiging dat 'deze ellende eens zullen enden', al duurde het wachten op de verlossing wel erg lang....

Vanaf voorjaar 1945 begon het echter te dagen, niet in het oosten, maar meer in het zuiden. Ui de berichten van Radio Oranje, door mij dagelijks beluisterd via ons niet ingeleverde en goed verborgen radiotoestel, hoorde ik dat vanuit Twente het Canadese leger naderbij kwam. En toen ik op zondag 8 april vernam dat een Poolse afdeling ervan in Balkbrug was gearriveerd, ben ik met een buurman langs binnenwegen daarheen gelopen om vast al iets van de bevrijdingsvreugde te proeven. Nu kon het toch niet lang meer duren, tot ook Ommen en daarmee Witharen aan de beurt zouden zijn. Evenwel, op dinsdag 10 april leek het daar nog niet op, toen er 's middags dicht bij ons nog langdurig gestreden werd tussen die Poolse voorhoede vanuit Balkbrug, met de Duitse bezetting van Ommen. Die kleine oorlog eindigde onbeslist, zonder slachtoffers, wel brandden als gevolg hiervan drie boerderijen tot de grond toe af.

Na verstomming van het lawaai stond ik met mijn buurman nog wat na te praten en eensklaps werden wij beschoten door diezelfde Duitse soldaten die wellicht meenden dat wij van het verzet waren. De kogels floten ons om de oren en door over de grond weg te kruipen uit de gevarenzone konden wij ons leven redden. Het zou toch te gek zijn om in het zicht van de haven nog te stranden. Wat later op de avond gonsden er allerlei geruchten door onze buurtschappen over een te verwachten aanval vanaf de richting Den Ham, om de Duitsers uit Ommen te verdrijven en inderdaad hoorden we in de vooravond zware knallen daveren, die de inleiding waren voor de verdere opmars van het Canadese leger, die naar bleek de aftocht van de vijand tot gevolg had. Dat wisten wij toen nog niet en brachten de nacht vol spanning, half slapend, half wakend, verder door.

Ook de daarop volgende morgen bleef het vooreerst afwachten. Totdat wij zagen dat er vanaf Ommen door het Emsland een schier eindeloze colonne Canadese oorlogsvoertuigen naderde en dat moest ik van nabij zien. Daarom ging ik met veel anderen van de zandweg waaraan wij woonden naar de verharde weg Ommen-Balkbrug om de glorieuze in- en doortocht van dichtbij te aanschouwen. Die kennismaking met onze bevrijders maakte een geweldige indruk op mij. Mijn vrouw kon niet meegaan; ze was in blijde verwachting. Twee dagen later werd zij 'bevrijd' van een dochtertje. Ik kon het haar allemaal vertellen; over die grote Canadese tanks, de vele jeeps, het zware geschut en al het rollend gevechts- materieel dat begroet door blijde mensen voorttrok richting noorden, dat nu de Duitsers uit onze omgeving voorgoed verdreven waren, geen razzia's en huiszoekingen meer, geen jacht meer op onderduikers en vervolging van Joden, het niet meer hoeven aanhoren van de gehate bevelen. Zů beleefde ik de bevrijding op die morgen van 11 april 1945, de mooiste morgen die ik ooit in mijn leven heb meegemaakt.

E. Dijk
Ommen


'EEN WONDERLIJKE ERVARING'

De morgen van de bevrijding hoorden we in Lemele het Canadese leger via Hellendoorn ons dorpje naderen. 't Was zo'n wonderlijke ervaring, dat we zonder dat de boel op slot deden ze tegemoet gingen; een hel stoet met vlag voorop. 's Middags was heel Lemele overstroomd met het leger van onze bevrijders. Ons huis werd in beslag genomen (een paar kamers) en er werd allerlei apparatuur neergezet. 's Avonds werd door de Canadezen een film gedraaid in een boerderij tegenover ons. Daar gingen we naar toe, ons huis vol met Canadezen achterlatend, met de kinderen in bed. Het vertrouwen wat je toen had in die soldaten is iets wat je nu nauwelijks kunt voorstellen. Ook de Lemelerberg was een complete Canadese nederzetting geworden. Enkele Duitsers die nog in Lemele waren achtergebleven werden krijgsgevangen gemaakt. We kregen veel van de soldaten aangeboden: sigaretten, witbrood en chocolade. 's Avonds werd Ommen beschoten, dat was wel angstig maar we werden door de militairen gerustgesteld. De bevrijding was iets om nooit te vergeten, maar waar we toen, en nu nog, heel dankbaar voor waren.

G. Ekkelkamp-Bendijk
Lemele


'ONDER DE BEVRIJDERS WAS EEN JONGEN UIT DE BUURT'

Wij woonden in die tijd op de boerderij De Rollenkate, op de plaats van het vroegere kasteel, als boer met vrouw, twee kinderen, dienstbode en onderduiker Jan Schouten. De belevenissen van toen staan nog scherp in het geheugen. De bevrijding vond hier plaats in de week die eindigde op zaterdag 14 april 1945. Maar ook enkele dagen tevoren waren er overdag al Canadezen. Deze trokken zich 's nachts eer terug tot Balkbrug, waar hun onderdeel was gelegerd. De weg Zwolle-Meppel was toen nog in Duitse handen. Overdag werd het terrein verkend met lichte tanks; soms werd er wat geschoten en als dit vuur niet beantwoord werd ging men weer enkele kilometers verder.

Dat ging zo enkele dagen door tot zaterdag 14 april. De zondag tevoren landden er al enkele para's bij ons in de boomgaard. We hebben de mensen niet gezien maar wel de parachutes die 's morgens in de vruchtbomen hingen. Mijn vrouw heeft later nog kinderkleren gemaakt van de stof. Later hoorden we dat ze gekomen waren ter ondersteuning van de ondergrondse, die was gelegerd in de Staatsbossen bij Staphorst. Natuurlijk was het hier 's zaterdags feest, temeer daar er zich onder de bevrijders ook een jongen uit deze buurt bevond, een zoon van het hoofd der school, Harrie Meier. Hij is later beroepsmilitair geworden en is thans kolonel b.d. Hij woont voor zover ik weet nog in Ede. In de nachten net voor de bevrijding werden we nogal eens onder vuur genomen. We moesten dan ons bed uit en gingen met z'n allen in hooi achter een dubbele muur liggen.. Een keer schuilden we zelfs in de kelder. Bij de beschieting zijn toen enkel koeien getroffen, maar wij zijn er goed af gekomen.

H. ter Wee
Nieuwleusen


'DANSEN KON IK NIET, OOK NIET JUICHEN'

Ik was een joods meisje en had de laatste maanden van de oorlog doorgebracht met mijn moeder en broertje in een klein kamertje op de tweede verdieping van een eenvoudige woning in Zwolle. Twee zusters woonden er samen met drie kleine kinderen. De man van de oudste zuster was krijgsgevangene in Duitsland, de man van de jongste was gedwongen arbeider, ook in Duitsland. Mijn vader en mijn zusje waren naar Polen maar toen wisten we nog niets van Auschwitz en alle gruwelen en leefden we in de hoop dat ze terug zouden komen.

Twee jaar hadden we op een zolder verborgen gezeten waar we zelfs haast niet konden fluisteren omdat we bang waren dat de buren ons zouden horen. Twee jaar hadden we haast bewegingloos op onze harde stoelen gezeten, toen plotseling ook dat gevaarlijk werd en er door de ondergrondse haastig andere plaatsen voor ons gezocht moest worden.

En de twee zusters namen ons op. Het waren de laatste maanden van de oorlog, de rantsoenen waren klein, maar we redden het met ons allen. Wij kregen extra bonkaarten van de 'ondergrondse', de drie kleine kinderen aten hun magere rantsoentjes zelfs niet op. De jongste van de twee zusters, een knap blond meisje met een baby van een jaar, ging iedere dag naar de spoorbaan en kwam dan meestal met iets naar huis. Soms een wit kooltje, soms wat bieten of wat hout. De Duitsers die de wacht hielden hadden misschien medelijden met het blonde meisje en keken de andere kant op. En wij waren blij met een dag eten. Als helemaal geen hout meer was, niets om splinters van te maken die in het noodkacheltje, gemaakt van een leeg conservenblikje, gestookt werden, ging er weer een stoel of bankje aan. 'Als mijn man terugkomt maakt hij wel weer een nieuwe', zei de oudste zuster dan optimistisch.

Zo gingen de laatste weken voorbij, de laatste weken van twee en een half jaar opgesloten zitten, van angstig afwachten, van vrees op het laatste moment gepakt te worden, van hoop dat we onze familie, mijn vader en zusje, ooms, tantes,neven en nichten weer terug zouden zien. Helaas, van onze familie is niet een teruggekomen, zoals van zoveel families in Zwolle, waarvan zelfs niemand overgebleven is om ze te herdenken. Herinneren de oudere Zwollenaren ze nog? Bijvoorbeeld de familie De Leeuw uit de muziekwinkel uit de Diezerstraat, de 'Boekenstibbe' die een boekenantiquariaat had en die zoveel wist dat een plezier was met hem te praten, de joodse marktkooplieden die met hun handel de provincie afreisden. Met hen is een stukje joodse geschiedenis uit Zwolle verdwenen. Ik noemde zo maar een paar families, de namen schieten me nu in de gedachten. De families Van Gelderen, Weyel, Frank, Nord, Os, Wallage, Sanders en de familie van Opperrabbijn Hirsch uit de Bloemendalstraat. Ik hoop dat de velen die ik niet noemde me zullen vergeven. En de Duitse families, die na 1933 naar Zwolle gekomen waren, waar ze dachten veilig te zijn.....

Ikzelf ben na de oorlog weggegaan van dit alles. Ik kon en wilde niet meer wonen in een stad waar iedere straat, iedere hoek me herinnerde aan mensen, die ik nooit meer tegen zou komen, die ik nooit meer terug zou zien. Ik wilde een land opbouwen voor ons zelf, een land waar we veilig zouden zijn. Helaas is dat in de praktijk niet altijd waar gebleken en voor het ideaal van veiligheid zijn velen gevallen, maar tenminste voor een doel en met eer en niet als vee afgeslacht. De oorlog heeft een diepe stempel op me gedrukt en ik zou haast zeggen dat er geen uur voorbij gaat, dat ik er niet op een of andere manier aan denk, zoals flitsen in een film. Ik leef er mee en praat er niet over. Alleen mijn kinderen en mijn oudste kleindochtertje heb ik het verhaal van de oorlog verteld en ze zijn vol bewondering voor de goede Nederlanders, die me gered hebben met gevaar voor eigen leven. De jeugd in Holland weet er misschien te weinig van.

Er is intussen een tweede en zelfs derde geslacht opgegroeid die niet weten wat oorlog is en dus niet kunnen weten wat bevrijding betekent. En de 4e mei en zeker de 14e april is een datum die hun niet veel zegt. En wij hebben gezwegen om te vergeten, om niet herinnerd te worden en niet te herinneren. Misschien hebben we gefaald. Maar nog is het niet te laat. Nog kunnen ze het uit onze monden horen, van mensen die het meegemaakt hebben ofschoon velen intussen gestorven zijn. Wij kunnen getuigen dat onze vaders, moeders, zusters, broers en verdere familie in veewagens naar Polen zijn gedeporteerd en vergast en verbrand in Auschwitz, Sobibor, Treblinka en andere kampen. Er is nu een stroming in Duitsland die beweert dat de holocaust een verzinsel is en nooit bestaan heeft. Daarom is het onze taak het te vertellen, zoals we ook willen vertellen van de vele moedige Nederlanders die dikwijls met gevaar voor eigen leven hebben getracht zoveel mogelijk te redden. Met onzichtbare banden ben ik nog gebonden aan mijn geboortestad, de geboortestad van mijn moeder, mijn grootvader, overgrootmoeder, en wie weet hoeveel geslachten.

Zeker, Zwolle is niet meer de stad die ik me zo goed herinner. De Diezerstraat waar ik woonde is nu Diezerpromenade en in de oude schilderachtige straatjes als Nieuwstraat en Achter de Broeren is een modern winkelcentrum herrezen. Er is vooruitgang en ontwikkeling. Maar voor de Zwolse joden in de oorlog was er alleen vernietiging. Dit alles is veertig jaar geleden. Als was het gisteren zie ik de eerste tanks op die zaterdag de stad inreden en hoe de Canadezen in hun bruine uniformen chocola en sigaretten uitdeelden. De Duitsers waren weg, de oorlog was voorbij. Op het Grote Kerkplein werd 's avonds gedanst, zomaar op de keien. Ik stond tussen de mensen die dansten in hun schamele oorlogskleren. Ik hoefde de ster met het woord jood niet meer te dragen. Ik was vrij, na jaren ondergedoken te zijn geweest. Dansen kon ik niet, ook niet juichen. We waren vrij. Nog hoopte ik dat ik mijn vader en mijn zusje terug zou zien.... De tijd gaat verder. Niemand wil graag over de oorlog horen, maar eenmaal in de veertig jaren herinneringen ophalen....mag het?

H. Herzberg-Pinas
IsraŽl


'MOEDER STOND EEN PAN SOEP TE KOKEN'

Op de middag van 13 april 1945 stond mijn moeder in de keuken een pan soep te koken, omdat de bevrijding in aantocht was en je niet kon weten wat er allemaal zou gebeuren. Rond zeven uur 's avonds vuurden de bevrijders een salvo op Zwolle af en enkele van deze granaten kwamen in de Van Ittersumstraat en Molenweg en omgeving terecht. Mijn zusje (5) en broertje (4) werden uit bed gehaald. Juist op het moment dat mijn vader met mijn zus op de arm langs een raam liep, kwam er een granaat tegenover ons neer op het huis, waar nu modehuis Veenstra, Van Karnebeekstraat 21 is gevestigd. Mijn vader kreeg drie granaatscherven in zijn been maar zag toch nog kans om in de kelder te komen. Daar heeft mijn moeder hem verbonden. Zij riep mijn grootvader, mijn tante en mij, die op dat moment bij mijn opa inde kelder ernaast zaten. Ik ben daarop, onder granaatvuur, naar de dames Visser en Zwakenberg gerend, die ook aan de Van Karnebeekstraat woonden en van de Eerste Hulp waren. Ook haalde ik ons Blokhoofd, de heer Nieuwhof, op. Mijn grootvader haalde dokter Olland.

De heer Nieuwhof kwam later nog even in de kelder en vertelde dat er verschillende doden en gewonden waren. Van slapen kwam niets. De volgende dag 14 april, kwamen de bevrijders en gaven mijn zwaar gewonde vader een paar sigaretten. Ook mijn tante kwam weer bij ons in de kelder en waar niemand aan gedacht had, daar dacht wel mijn vijfjarig zusje aan. Zij zei:,Tante Martha is jarig'. Het was bij ons met de bevrijding dus verdriet en vreugde.

W. Assies
Zwolle


MOEDER ZEI ALLEEN:'GOD ZIJ GEDANKT'

Het was vrijdag 13 april 1945 negen uur 's avonds. Op de hoek van het plein stond een Duitse soldaat te vrijen met een meisje uit de buurt. Het was heel stil op straat. Mijn moeder (72 jaar) was ernstig ziek geweest en zat even op een stoel in de kamer. En toen begon het .... om de paar minuten een vreselijk lawaai, vlak over ons huis. Wij wisten niet wat het was. Men had ons wel verteld dat de Engelsen al in Dalfsen zaten. Van die kant kwamen ook de granaten.

Alle boven-bewoners in onze rij zouden bij een aanval naar de kelder van de beneden-buren gaan. Ook wij zouden dat moeten doen maar het ging niet. Mijn moeder was te zwak. Daarom zochten wij een plekje op de gang en gingen daar zitten. Mijn moeder , een zeer gelovige vrouw, zei: 'Och, God heeft geen schuilplaats nodig om ons te beschermen, laten we maar bidden'. En dat deden we hand in hand. Van mijn moeder ging een geweldige rust uit, maar ik was heel erg bang. Toen het donker werd staken we lichtjes aan. Drijfpitjes op patentolie, die we van een vriend hadden gekregen. Zo bleven we zitten tot een uur of een. Toen hield het lawaai op en zijn we nog een tijdje naar bed gegaan.. Om drie uur begon het schieten weer, maar niet zo hard en zo lang. Mijn moeder liet ik in bed liggen, maar om half 6 stond ik op om het glas op te ruimen.

We hadden geen ruit meer heel, maar ons mankeerde niets. Die morgen kwam een vriendin van ons de trap ophollen, al gillend: 'We zijn bevrijd, we zijn bevrijd!' Ze was door het dolle heen, kuste en pakte ons met geweld. Moeder zij alleen:'God zij gedankt'. Een half uur later stond het hele plein vol met Canadezen, jeeps, tanks en lachende mensen. De Canadezen deelden chocolade en sigaretten uit en werden ontvangen als helden. D'r was die dag geen houden meer aan. Er werd gezongen, gedanst, gelachen, vrijuit want we waren echt bevrijd. 's Zondagsavonds werd er nog een korte tijd geschoten, maar nu uit de richting van Zalk, waar nog wat Duitsers zaten. Onderduikers kwamen weer voor de dag, en NSB-ers werden opgepakt. Er werden dan kerkdiensten gehouden en feesten georganiseerd. Er werden van de Canadezen volksdansen geleerd. We waren vrij!!! Een paar dagen kwam Prins Bernhard in de stad. Hem had ik nog nooit gezien en daarom ging ik de stad in.

Op het Kerkplein achter de Grote Kerk bij Cafe De Beurs stond ik sneu te kijken naar de rijen mensen in de Luttekestraat, waar een stel jeeps wegreden en ik dacht:'te laat'. Maar opeens kwam er beweging. Tussen de mensen door reed een jeep recht op mij af. Helemaal alleen stond ik daar. In de jeep zaten twee officieren in keurige battle- dress en baret. Een van de twee had een beeldige zijden das met gekleurde stippen om de hals, dat was Prins Bernhard. Hij keek mij aan en ik stak verlegen mijn hand op. Meteen kwam er van de andere kant een mollig meisje aanhollen. Zij ging voor de jeep staan en schreeuwde:'hoera-hoera-hoera'. Door de opwinding en het harde lopen, hobbelde alles wat ze te bieden had, hard op en neer. Beide mannen schoten in de lach en een wenkte haar om aan de kant te gaan. Ze konden er toch niet over heen rijden. De Prins keek naar mij, groette en gaf al lachend een knipoogje. De jeep reed door. Het meisje kwam naar mij toe en zei:'Dat was de Prins', en ik antwoordde een beetje kwaad:'dat weet ik ook wel, maar je hoeft die man toch niet zo aan te gapen'.

Dat was voor mij een van de vrolijkste ogenblikken van de bevrijding. Voor mijn moeder was dat het moment dat ze haar jongste zoon, waar ze lange tijd niets van had gehoord, weer in haar armen kon sluiten en ze heeft zeker gedacht aan al die moeders die hun zonen hadden moeten geven voor de bevrijding van ons land.

J.W. van der Waarde
Zwolle


'DAG GING IN EEN ROES VOORBIJ'

Het is vrijdag 13 april 1945. Jonge mannen uit de omgeving van de Langenholterweg in Zwolle die over een paard en wagen beschikken moeten zich melden om Duitse soldaten en wat zij bij zich hebben, naar de Gelderse kant van de IJssel te vervoeren. Zover is het al gekomen met het Duitse leger, dat ze geen eigen vervoer meer hebben. Vaders en moeders laten hun zonen met angst in het hart vertrekken. Wij, vader, moeder, twee dochters en ik als verloofde, die 's nachts bij hen onderduiken uit angst voor razzia's, blijven achter. De vier Duitse soldaten die al ongeveer drie maanden bij mijn schoonouders ingekwartierd zijn, gedragen zich anders dan ze gewoon zijn.

Het is ongeveer negen uur 's avonds geworden als plotseling de vier Duitse soldaten binnenkomen, iets wat ze nooit doen. Verbaasd kijken we op. Een van hen zegt"'U kunt vanavond beter niet hier blijven, want vannacht komen soldaten van de SD het bevel over nemen en hebben wij niets meer te vertellen'. Mijn moeder zit vol vragen maar er zit niets anders op; we kunnen maar het beste vertrekken. Een zak met kleren wordt klaar gezet. Vlug trekken we onze jassen aan. Uit de schuur wordt een bakfiets gehaald, daarin wordt de zieke dochter, in dikke dekens gewikkeld, gelegd. Ook de buurman en buurvrouw met hun dochtertje sluiten zich bij ons aan.

Buiten is het stikdonker. Steeds verder het stille donkere angstaanjagende Langenholte in, waar we een familie kennen. Als we daar aankomen worden we met open armen ontvangen. De zieke wordt in een bed gelegd en voor ons worden matrassen in de kamer op de vloer gelegd, een deken erover en zo moeten we ons maar zien te redden. Midden in de nacht klinkt een harde knal en we schrikken wakker. Later horen we dat de Berkumerbrug door de Duitsers is opgeblazen. Als we 's morgens vroeg wakker worden, merken we dat vader er niet meer is. De kennissen zeggen dat hij wilde zien wat er in de nacht met zijn huis is gebeurd. Later op de dag komt hij weer terug met de mededeling dat de Duitsers weg zijn. Wij gaan weer naar huis waar we Canadese soldaten vinden. Buiten zitten soldaten brood te eten, WIT brood. Dat hadden we in al die oorlogsjaren niet gezien, het leek wel cake. Als ze zien hoe we naar hun brood kijken, krijgen wij ook wat mee. Het smaakt ons als gebak. In huis is het een puinhoop. De Duitsers hadden die nacht alles overhoop gehaald om te zien of er iets van hun gading was.

Op de deel onder een hoop steenkolen hadden we twee radio's verstopt; die hadden de Duitsers niet ontdekt. Snel haalde ik de toestellen onder de kolen vandaan om ze aan de Canadezen te laten zien. Tot mijn grote verbazing reageerden ze helemaal niet op dat voor ons grote bezit. Ach, ze weten ook niet dat het een gevaarlijk bezit is geweest. Dan gaan we de weg op. Overal staan de mensen uit de buurt opgewonden met elkaar te praten. Het dringt eigenlijk nog niet goed tot ons door dat we na vijf jaar bevrijd zijn. De dag gaat in een roes voorbij. Niemand gaat aan het werk. Op straat wordt gedanst en gezongen en gehost met iedereen, bekend of onbekend. Overal wapperen de vlaggen. Als na twee dagen de jongens uit de buurt, die de Duitsers naar de gelderse kant moesten brengen, ook weer heelhuids terug keren, is de bevrijding voor de moeders en vaders pas echt feest.

Jac. Meulenbelt
Zwolle

Nalang aarzelen heb ik bijgaande herinnering (ik was in mei 1945 bijna acht jaar) op papier gezet. Niet uit rancune, maar uit een gevoel van zoeken naar erkenning van een beleving, die in het geheugen is gebrand. Als het begin van een zeer traumatische ervaring. Hoewel het veertig jaar geleden is, kost het me nog zeer veel moeite om tegen derden te zeggen dat mijn vader fout was in de oorlog. Rationeel zeg ik:'Wat een onzin'. Het is tenslotte al veertig jaar geleden gebeurd. Maar als je dan in je omgeving de discussies over bijvoorbeeld Aantjes aanhoort en de agressie die dan getoond wordt, is de angst weer helemaal terug.

'ZE KRIJGEN JULLIE NOG WEL!'

De buurman, wiens knechtje ik graag wilde zijn, had zijn werkplaats aan het einde van het sintelpad. Gebogen over glimmende BSA-motorfiets mompelde hij (misschien wel tegen mij):'Straks komen ze. Ik moet dan klaar zijn. Waar zou ik een BS-band kunnen krijgen'. De zon scheen stralend. Het was aangenaam blote-voeten-weer. De koude voeten van een poos terug waren maar flauw in herinnering. Plotseling zei een man in de deuropening:'Jan, als we wat willen, moeten we het nu doen. Ik kan aan twee blauwe overalls komen en aan twee BS-banden.

Laten we daarna de DKW gaan halen voor anderen ons voor zijn. Die NSB-er durft toch niets te doen'. De vage angst die al dagen in mijn maag ronddraaide verhevigde plotseling. Ik nam mij voor om zoveel mogelijk Wilhelmina-kaasmerken te sparen. 'Pietje', zei de buurman, 'als straks de Canadezen komen, moet je proberen sigaretten voor me te krijgen. Daar schijnen ze mee te strooien. En denk eraan, ook peukjes blijven belangrijk'. Ik had al eerder peukjes voor hem gezocht. We stonden langs de kant van de weg en zwaaiden naar de Canadezen. Er was een uitgelaten stemming. Ik werd in het enthousiasme meegenomen. Ik danste en gilde 'Hier, hier, hier'.

Ik dook op de uit de colonne gegooide repen chocolade. Ik,kreeg een schop tegen m'n kont. Een grote jongen zei tegen me:'Dief, die chocolade is niet voor jou. NSB-ers mogen hier niets pakken. Wacht maar ze krijgen jullie nog wel'. Door het nu wat getemperde enthousiasme voelde ik de angstkronkel weer in mijn maag komen. Als ik nu maar genoeg sigaretten en peukjes kon vinden, mocht ik heus wel het knechtje van de buurman blijven. En ruilde mijn chocolade voor sigaretten.

N.N.
Zwolle


'JE DEED HET, BASTA...'
Herman Paalman

Honderdduizend 'hongerkinderen' via Zwolle naar eten in de provincie

Het juk van de bezetter is afgeworpen en de vrijheid is -om met Churchill te spreken- met bloed, zweet en tranen verworven. De bevrijding in 1945 betekent een opgelucht ademhalen, maar het betekent voor velen niet het einde van de lijdensweg. In Zwolle, dat in die tijd een opmerkelijke centrumfunctie vervult, wordt dat schrijnend duidelijk. Via Zwolle lopen immers komplete volksverhuizingen. Zo trekken meer dan 100.000 kleine kinderen kort voor de bevrijding uit het berooide en hongerende westen des lands. Zwolle vormt een opvang- en doorgangscentrum, van waaruit zij in konvooien naar boeren 'in de provincie' gebracht worden. Na de bevrijding komt dezelfde operatie opgang, zij het in omgekeerde richting. Een van de velen, die in maart 1945 assisteert bij de transporten door de provincie en na de oorlog in juni 1945 bij de terugkeer per schip, is ras-Zwollenaar Herman Paalman; nu 63 jaar oud, toen 23 jaar jong.

In zijn geheugen hebben die periode een onuitwisbare indruk achter gelaten. Terugkijkend beklemtoont Herman Paalman, dat tal van Zwollenaren zich ingezet hebben voor de kinderen uit het westen. Hij noemt voor de vuist weg een reeks namen: de Interkerkelijke Organisatie (IKO), mr Maris, ds. De Boer en dr. Hengeveld.'Dan heb ik er al zeer velen niet genoemd', voegt Herman Paalman er veiligheidshalve direkt aan toe.

Maart 1945: Met D-Day is een bres geslagen in het duitse bastion en de geallieerden rukken op. Bij Arnhem stagneert de opmars en houden de Duitsers stand. Van die kant komt een grootscheepse evacuatie op gang. In het westen des lands begint een winter, die later de Hongerwinter genoemd wordt. Alles wat enigszins eetbaar is wordt er gretig en dankbaar gebruikt. In die situatie ontstaat begin 1945 een immense uittocht uit het westen. Op zoek naar voedsel trekken duizenden 'hongertrekkers' meestal te voet naar het oosten en noorden. Het bevrijde zuiden is immers ontoegankelijk.

'Onder die hongertrekkers bevonden zich ongelooflijk veel kinderen', herinnert Paalman zich. 'Velen van hen kwamen op eigen houtje naar deze regio. Ze vonden veelal een onderdak in de tabaksfabriek van Van der Helm, gevestigd aan de Thorbeckegracht in de Zwolse binnenstad. Iets later zou ook de Julianaschool voor dat doel gebruikt worden. Maar de meeste kinderen kregen in de tabaksfabriek onderdak en vandaar ging het vervolgens de provincie in. Voor jongeren is het anno 1985 erg moeilijk zich daar een voorstelling van te maken'.

Niets bijzonders...

Herman Paalman tracht de herinnering levend te maken"'Bedenk dat het om meer dan 100.000 kinderen ging, die in ruim een maand tijd op dat centrale punt aankwamen en naar een gezin op het platteland gebracht moesten worden. Het was een gigantische klus, al hebben we het toen niet als zodanig ervaren. Je deed het en basta, daarmee was de kous af, niets bijzonders dus....' De maand maart werd gekenmerkt door goed weer. Paalman:'Het was koud, maar we hadden tijdens de transporten de weergoden zeker niet tegen. Een van de mensen, die voor de transportmogelijkheden- boerenwagens, nog met die hoge schotten aan de zijkanten- zorgde, was de heer Noordhof. Hij woonde destijds in Zwolle aan de P.C. Hooftstraat, waar hij tal van joden verborgen wist te houden en kende vrij veel boeren in de omgeving, vandaar'. 'Op een zo'n boeren wagen konden we pakweg 30 tot 40 kinderen plaatsen. Per wagen ging er een volwassene mee als begeleider. Als je weet, dat er per konvooi 6 ŗ 7 wagens reden, dan weet je dat er op een transport rond 250 kinderen mee gingen. Er was een morgen- en een middagtransport, dus op een dag werden vanuit Zwolle een 500-tal kinderen richting Twente vervoerd'. Het vroege transport hield pas halt bij Holten, het late transport maakte voor de nacht een stop bij Heino en ging de volgende ochtend verder naar Holten. Ook Delden vormde een centrale post. Hoe verliepen die tochten? Herman Paalman haalt de schouders op en volstaat eerst met een 'Goed, die tochten verliepen goed'. Op de vraag of er wel eens iets mis ging, reageert hij met: 'Doorgaans ging het goed, maar er waren ook hachelijke momenten, bijvoorbeeld toen we vanuit een geallieerd vliegtuig beschoten werden'.


Beschieting

'We waren die dag genaderd tot de Ganzepanbrug bij Heino, toen er geallieerde vliegtuigen overkwamen en er geschoten werd. Vanuit de lucht had men kennelijk het vermoeden, dat het om een Duits konvooi ging. Hoe het ook zij we werden onder vuur genomen. Het betrof die dag een groot transport met zeker 300 kinderen. Hals over kop moesten die honderden kinderen uit de boerenwagens. Ze doken zo snel mogelijk de sloot. Wij, de volwassen begeleiders grepen ijlings witte doeken en begonnen daarmee te zwaaien. Er werd een paard getroffen. Gelukkig waren er verder geen slachtoffers'. In het gebied van Salland, nabij Dalfsen, weet Herman Paalman nog, werden de 'transporten' vaker verrast, bijvoorbeeld door de door de Duitsers gelanceerde raketten. De geallieerden hadden het ook gemunt op die basis, die nabij de route lag die de kinderen op de weg naar Twente moesten volgen. De Duitsers zelf kwamen niet in actie tegen de kindertransporten. Paalman:'Die hadden wel andere dingen aan hun hoofd. Er heerste onder hen al enige paniek en de meeste Duitsers beseften dat de slag verloren was'.

Na de bevrijding

Op 14 april 1945 verdwijnt de laatste Duitser uit Zwolle en kan het rood-wit- en blauw en het oranje vrolijk wapperen. De geallieerden delen ook in de Overijsselse feestvreugde. De hulpverlening ging echter door. Ook de prinses Irenebrigade werd er in betrokken. Vanuit Duitsland kwam in de weken na de bevrijding een massa mannen terug uit de 'Arbeitseinsatz'. Ook voor hen was Zwolle het tussenstation. Tal van gebouwen werden daartoe gebruikt en menigeen werd er hygiŽnisch doorgelicht. Bijna allen werden ontluist. Veel van die mannen gingen met een van de turfboten vanaf Zwolle verder huiswaarts. Vrij kort na de bevrijding kwamen opnieuw de kindertransporten op gang. Ze werden verzameld in Zwolle. Daar gingen de kinderen in massa op de boot naar Amsterdam, waar ze weer op het Centraal Station verzameld werden om tenslotte de rechtstreekse rit naar huis en gezin (of wat daar van over was) te maken.

Het is tijdens de transporten Zwolle-Amsterdam, dat de toen 23 jarige Herman Paalman de 20 jarige begeleidster Wieb Lievestro leert kennen. Zij zou later zijn vrouw worden. Wieb Paalman:'De kinderen werden meestal met auto's van de Irenebrigade van de boerderijen gehaald. Dat ging in plukken, 20 uit Dalfsen, 30 uit Nieuw Leusen, enzovoorts. Rond vijf uur 's middags kwamen die groepen kinderen in Zwolle aan, waar ze in het christelijk lyceum aan de Veerallee een warme hap kregen, voordat ze in het schip gingen. 'Aan het Jodendijkje', gaat Herman Paalman verder, gingen de kinderen aan boord van het 700 tons schip, de Metropa. Dat was een drukte van jewelste. Per nacht gingen er zo'n 600 tot 700 kinderen over het water naar het westen'. Wieb Paalman schetst de drukte: 'Kijk die kinderen hadden vaak dieren bij zich, die ze van de boer gekregen hadden. Dus je had ook geitjes, konijnen en kippen aan boord. Het was vertederend hoe druk juist die kinderen zich om de dieren maakten. Als ze al angst hadden, was het de angst of hun dieren straks thuis wel genoeg te eten zouden kunnen krijgen'.

Geen toilet

De overtocht naar Amsterdam vergde praktisch de gehele nacht. Aan boord was het allesbehalve comfortabel. Van een cruise was geen sprake. Wieb:'Als je naar het toilet wilde, moest je in een stellage gaan hangen, zodat de zaak rechtstreeks buitenboord geloosd werd. Gevaarlijk? Nee, daar dacht je niet aan. Als ik het nu moest doen, zou ik me echter wel drie keer bedenken. Maar ach de begeleiders van die tochten waren allemaal tamelijk jong, variŽrend van 20 tot 35 jaar'. 's Nachts slapen was er voor de begeleid(st)ers niet bij. Trouwens, ook de meeste kinderen deden geen oog dicht. Opnieuw Wieb Paalman:'Er was altijd wel een kind, dat behoorlijke problemen had. Vrijwel alle kinderen waren of zenuwachtig of stikzenuwachtig. Ze gingen immers na lange tijd terug naar huis, onwetend wat hen daar zou wachten. Om ze af te leiden ging je zittend op een trapje-anders konden de in het stro weggezakte kinderen je niet zien- een verhaal vertellen. Ook zongen we heel wat liedjes. Het ging allemaal bijna schreeuwend. Dat moest wel om nog boven het kabaal van de scheepsmotoren uit te komen'.


CENTRALE KEUKEN BOND DE STRIJD AAN TEGEN SCHAARSTE Schraalhans ook na de bevrijding keukenmeester...

Zwolle - Met de bevrijding van Zwolle kwam er nog geen einde aan een instituut, dat voor de bezettingsjaren zo kenmerkend is geweest, de Centrale Keuken. Pas in de zomer van 1945 nam het belang van de Centrale Keuken langzaam af. Daarom en omdat het gebouw en de gebruiksvoorwerpen verwaarloosd waren, werd de Keuken in december 1945 gesloten.

In het recentelijk verschenen boek over Zwolle in bezettingstijd 'Zwolle, als een strootje in de maalstroom', wordt in een van de artikelen het functioneren van de Centrale Keuken onder de loep genomen tussen april 1941 en december 1945. Daaruit blijkt dat tot november 1944, gemiddeld nooit meer dan vijf procent van de Zwolse bevolking deelnam aan het uitdelen van voedsel. Er was blijkbaar nauwelijks gebrek aan levensmiddelen. Overigens zorgde de Zwolse overheid ook voor aanvoer van, al dan niet verse, groente, zodat hier lange tijd geen gebrek aan was. Ook uit de samenstelling van de maaltijden blijkt, dat er aanvankelijk geen schaarste was.

De naderende oorlog, slechte oogsten, brandstof gebrek en overname van de Centrale Keuken door de bezetter deed een nijpend voedseltekort ontstaan vanaf november 1944. Een maand eerder was het werk door enkele noodkeukens overgenomen. Hoe groot het gebrek aan behoorlijke voedingsmiddelen was, blijkt uit de omvang van de uitreiking van maaltijden in de winter van 1944/1945. Bijna een kwart van de Zwollenaren at in maart 1945 maaltijden van de Centrale Keuken. En ook de bevrijding bracht aanvankelijk weinig verbetering in de voedsel- voorziening.

Nieuwe Markt

In Zwolle werd in april 1941 een Centrale Keuken geopend aan de Nieuwe Markt. Het initiatief hiertoe ging uit van het Rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd (RBVVO), dat onder- deel vormde van het departement van Sociale Zaken. De RBVVO legde er aanvankelijk de nadruk op, dat de gemeente Zwolle de Centrale Keuken als een noodmaatregel moest beschouwen. 'De te bouwen en in te richten keukens moeten geheel als noodgebouw worden beschouwd. Uitsluitend bij gebrek aan hout worden deze van steen opgetrokken. Ze mogen echter niet als permanent worden beschouwd'. De werkelijkheid bleek anders te zijn. De Centrale Keuken bleef langer in bedrijf dan was voorzien. Maar liefst vijf jaren moest de strijd worden aangebonden tegen de voedselschaarste. Voor een geringe prijs, minimaal tien cent per portie, konden de Zwollenaren warme maaltijden van de Centrale Keuken betrekken. De Centrale Keuken moest volgens RBVVO in staat zijn om 6000 porties per dag te bereiden. De produktie kon nog eens extra opgevoerd worden tot 12.000 porties, wanneer de Centrale Keuken tweemaal per dag zou bereiden. De maaltijden werden niet alleen aan de Nieuwe Markt verstrekt. Na de bereiding werd het eten in speciaal daarvoor bestemde gamellen naar de uitdeelposten in Assendorp (Tweede Wwiedjesstraat), Kamperpoort (Musschenhage) en Wipstrik (Vechtstraat) vervoerd.

Menu

Voor iedere dag stond een ander menu op de lijst. Maandag moesten er bruine bonen met aardappelen worden opgediend, voor dinsdag stond er hutspot op de lijst, woensdag moesten de koks andijviestamppot met witte bonen bereiden. Daaruit blijkt dat het RBVVO verlangde dat niet iedere dag hetzelfde eten werd aangeboden. De lijst liet maar liefst twintig verschillende maaltijden voor een periode van drie weken zien. Enkele voorschriften bij de menu's waren:'Aardappelen zo mogelijk met de schil geven. Indien dit niet gaat, zoo kort mogelijk voor de bereiding schillen. Groenten en aardappelen vlug aan de kook brengen en zoo kort mogelijk laten koken. Zoo veel mogelijk aardappelen geven. Een belangrijke stap bij de voedselbereiding is het panklaar maken van aardappelen en groenten. Van deze levensmiddelen wordt door velen, dikwijls geheel ten onrechte een grote hoeveelheid als waardeloos weggeworpen. Bijvoorbeeld: wortelen niet schrappen, maar met een hard borsteltje afboenen, groentenat niet weggooien maar binden met aardappelmeel'. De Centrale Keuken moest niet alleen in opdracht van de bezetter meer maaltijden bereiden. Instanties die de bezettingsmacht goed gezind waren, gingen zich ook steeds meer met de Centrale Keuken in Zwolle bemoeien. De Nederlandse Volksdienst was een dergelijke instantie. De bemoeienis blijkt uit een brief aan de burgemeester van Zwolle:'Hierdoor deel ik u mede, dat in verband met de desbetreffende nieuwe verordeningen dat de joden geen maaltijden uit de Centrale Keuken ontvangen. De in hun bezit zijnde gele verklaringen, waarop zij voorheen bonstroken ontvingen, dienen te worden ingehouden, evenals de bonstroken boter en vet'.

Klachten

Ook zijn er brieven bewaard gebleven over het functioneren van de Keuken. Zo klaagde de heer B. Mengerink over de slechte kwaliteit van het eten. De maaltijden werden met veel te weinig verse groente bereid. De leider van de Centrale Keuken stelde in een reactie op de klacht, dat het eten aan de normaal te stellen eisen voldeed. Verder merkte hij op:'De geringe aanvoer is oorzaak, dat in de volgende weken alleen wat vat- en gedroogde groenten verstrekt kunnen worden'. Een klacht van heel andere aard uitte een inwoner van Assendorp in zijn brief aan de leiding. De briefschrijver haalde het eten voor zijn gezin altijd bij het uitdeellokaal 'Wasserij Beijer'. De maaltijden werden volgens hem echter te laat uitgedeeld, waardoor lange wachttijden ontstonden. In de wachtende menigte, waren zelfs een paar vrouwen onwel geworden. Bovendien was de schrijver van de brief door het lange wachten te laat op zijn werk gekomen. Ook op deze klacht kwam een reactie van de leider van de Centrale Keuken. De maaltijden werden bereid aan de Nieuwe Markt. Van daaruit moesten ze naar verschillende uitdeellokalen worden vervoerd. Het vervoer werd vertraagd door de gebrekkige vervoersmogelijkheden. Daarbij kwam als extra handicap dat de gamellen gestolen waren. Hierdoor werd het nog moeilijker eten te vervoeren.


Verwaarloosd

Uit een brief van de districtsleider van massavoeding blijkt dat het niet allemaal rozegeur en maneschijn was in de Centrale Keuken aan de Nieuwe Markt.'De keuken verkeert in een zoo dergelijke staat van verwaarlozing; muren en plafonds, zoo te zien, in geen jaren geverfd of schoongemaakt. Kookpotten en aardappelschilmachines zijn zwaar verroest', aldus de brief, die dateert van oktober 1945. Er zijn in de loop der jaren grote hoeveelheden aardappelen en vlees verwerkt bij de Centrale Keuken. Opvallend daarbij is de geringe hoeveelheid vlees die in het fabrieksmenu was opgenomen. Mogelijk waren de fabrieksporties geen volledige warme maaltijden, maar soep, resten van de voorgaande dag of een lichte lunch. Opvallend is ook, zo stellen de onderzoekers in 'Zwolle als een strootje in de maalstroom' dat de hoeveelheid aardappelen per portie aanvankelijk ver beneden de in 1941 door het RBVVO gestelde omvang van acht ons per portie bleef. Dit zou echter ook kunnen wijzen op een grotere variatie in menu's, met vervangingsmiddelen voor aardappelen. Vanaf 1942 nam de hoeveelheid aardappelen per portie toe tot ongeveer de gewenste 800 gram. Een gebrek aan het volksvoedsel bij uitstek, was er tot augustus 1944 niet. Al eerder daalde de hoeveelheid vlees per portie.

Hongerwinter

De gegevens over de wintermaanden 1944/1945 ontbreken. Gezien de drastische stijgende vraag naar centrale Keuken-voedsel blijkt echter, dat de voedselvoorziening slecht was. Dit moet ook invloed gehad hebben op de samenstelling van de maaltijden. Een hongerwinter zoals in het westen van Nederland, heeft Zwolle echter niet gekend, mede dankzij ingrijpen van de overheid, die voedingsmiddelen opgeslagen had, aankocht of ze op de akkers liet verbouwen.

Roel Kleine


CANADEES LEO MAJOR BEVRIJDDE ZWOLLE IN Z'N EENTJE

Leo Major was de man, die in de nacht van 13 op 14 april 1945 in z'n eentje Zwolle bevrijdde. Hij ontving hiervoor een hoge Canadese en een Nederlandse onderscheiding, de laatste uit handen van koningin Juliana, en mag worden beschouwd als een soort Ereburger van Zwolle. De solo-bevrijder van Overijsselse hoofdstad was infanterist-verkenner van het Regiment de la Chaudiere, 8e Infanterie Brigade, 3e Canadese Infanterie Divisie, een regiment, hoofdzakelijk samengesteld uit Frans sprekende Canadezen en genoemd naar een rivier in Canada.

De man uit Montreal, op 23 januari 1921 geboren, meldde zich in 1939 aan voor de strijd in Europa. Na inscheping in het vaderland werd het Regiment de la Chaudiere in Schotland aan land gezet, waarna de reis ging naar Aldershot, niet ver van Londen. Vervolgens werd het regiment ingezet bij de kustbewaking, in de omgeving van Brighton. Het waren de dagen voor de catastrofe bij Duinkerken. Major mocht bij aankomst in Engeland korporaal noemen, maar na een kortstondig verlof in Londen, waarbij een vrouw in het spel was, kon hij zijn strepen inleveren bij de foerier. Hij ging tot het eind van de oorlog rangloos de strijd in. Leo Major was na een cursus in Engeland scherpschutter, wat met zich meebracht dat hij eveneens verkenner werd.

Hij was een van de D-Day(6 juni 1944)-mannen. Zijn eerste doel was BerniŤres-sur-Mer. Hij uit in brieven kritiek op de legerleiding van toen, is van mening dat de opmars die eerste dag in NormandiŽ niet gestopt had mogen worden. Bernieres-sur-Mer werd binnen twee uur na de landing veroverd. Zijn kritiek blijft; hij schrijft:'Slechts een van de vier officieren die we bij ons hadden, hielp mee bij het aanvallen van de Duitsers, de anderen maakten zich als lafaards uit de voeten. Het meest ziek maakt, dat de majoor die op dat moment het bevel had over die compagnie, na de oorlog een onderscheiding heeft ontvangen voor zijn lafheid'.

Op 1 juli 1944 werd hij gewond bij de aanval op het vliegveld Carpiquet. Zijn linkeroog raakte beschadigd en gedurende de rest van de oorlog moest Major het met een, door een lapje, bedekt (linker)oog doen. Na NormandiŽ volgde Nederland -Zeeland- en vervolgens ging het in de richting. Hij maakte in deze plaats kennis met de familie Sleepenbeek en speciaal met dochter Antoinette. Hij deed haar wel een erg opmerkelijke belofte, die hij nog inloste ook. Na Nijmegen volgde Zutphen en toen ging de bevrijdingstocht naar Zwolle. In brieven aan en in gesprekken met de Meppeler Tweede Wereldoorlog-historicus Wim Bakker heeft Leo Major zijn belevenissen verhaald. Bakker zette die op papier en het gevolg was een 1100 pagina's tellend manuscript. Daaruit laten wij hieronder Leo Major zelf aan het woord. Hoe hij, samen met zijn regiment, op weg ging naar Zwolle, zonder al te veel moeilijkheden te ondervinden, stadjes en dorpjes bevrijdend. En....toen hij Zwolle zag en plotseling weer aan zijn belofte moest denken.


'IK BELOOF JE, IK BEVRIJD EEN NEDERLANDSE STAD VOOR JE'

ZWOLLE - De opmerkelijke belofte die Leo Major in zijn Nijmeegse tijd Antoinette Sleepenbeek deed, kwam uit. 'Ik beloof je, ik bevrijd een Nederlandse stad voor je', had hij gezegd tegen dat 'mooiste meisje dat ik ooit had gezien'. Slechts enkele weken later was hij de eerste die Zwolle binnentrok.

'Op 13 april 1945 vroeg in de morgen bevond ik mij in een dorp op ongeveer drie kilometer van Zwolle. Ook de rest van het regiment en de 8e Brigade bevonden zich in dit gebied, maar men was zo'n acht kilometer van Zwolle tot stoppen gedwongen. Alles wees erop dat de Duitsers deze strategisch belangrijke stad niet van plan waren op te geven, zeker niet zonder slag of stoot.

Ik werd die morgen ingedeeld bij een uit ongeveer 25 man bestaande gevechtspatrouille. Voorwaarts gaande bereikten we een boerderij en na er nog een aantal gepasseerd te zijn naderden we een dorp. Er bevonden zich Duitsers die zich terugtrokken in een boerderij. Niet lang daarna kwam de rest van het Regiment de la ChaudiŤre zich bij de patrouille voegen. Ik dommelde in slaap. Niet voor lang echter want de kolonel wilde alle verkenners spreken. Ik ging een schoolgebouw binnen dat dienst deed als regiments-hoofdkwartier. Alle hogere officieren van de eenheid stonden tegenover de opgetrommelde verkenners.

Voor het eerst.

De Divisie-commandant, een generaal nam als eerste het woord en ik hoorde van hem voor het eerst over het bestaan van de Nederlandse stad Zwolle. Er werd om vrijwilligers gevraagd. De generaal maakte duidelijk dat Zwolle een strategisch punt was, omdat de stad een hoofdknooppunt van wegen vormde. Als we Zwolle zouden hebben, ligt gehele noorden voor ons open, aldus de divisie-commandant. Toen nam de kolonel het woord. Hij vertelde dat de vrijwilligers weinig kans zouden hebben het er levend vanaf te brengen. Maar ze moesten weten hoe groot het garnizoen Duitsers was. Ik werd met mijn boezemvriend Archenault uitverkoren; de leiding moest kiezen want alle verkenners waren genegen te gaan. We gingen naar de inlichtingen-officier die ons een grote en een kleine kaart van Zwolle liet zien. Het doel van onze missie was contacten te leggen met de plaatselijke ondergrondse, terwijl gevechtshandelingen, ook met vijandelijke voorposten, vermeden moesten worden. Op de kaart stond de vermoedelijke contactplaats aangetekend. Het was een krachtcentrale of zoiets.(vermoedelijk de oude IJsselcentrale, red)

Zalne

Toen we de kaarten bestudeerd hadden, kwamen we tot de conclusie dat we nog bij daglicht moesten vertrekken, om zodoende de minste last te hebben van de Duitse voorposten, die zich zouden bevinden op een weg die naar een spoorlijn (die bij Zalne, red) liep. De kaart leerde ons dat er over een afstand van ongeveer een kilometer voor de spoorlijn vier boerderijen waren. Deze moesten eerst -zonodig- 'vijandvrij' gemaakt worden, waarna een aantal militairen van onze eenheid deze konden bezetten. Een van de boerderijen lag precies naast een weg, die regelrecht naar Zwolle en naar de krachtcentrale voerde. Wij kozen die boerderij uit om het invallen van de duisternis af te wachten. We vroegen onze kolonel om tien machinegeweerschutters en een aantal soldaten om het gebied tot aan de spoorlijn te helpen zuiveren. Ons verzoek werd ingewilligd en afgesproken was dat de helpers buiten de stad zouden wachten totdat we waren teruggekeerd.

13 April 1945, even voor vier uur 's middags. Korporaal Willy Archenault en ik, gewoon soldaat, gaan op weg, van kop tot teen gecamoufleerd. We worden een eindweegs vergezeld door de machinegeweerschutters en de soldaten. Ze zullen slechts in mogen grijpen als we in grote moeilijkheden zijn of als we teveel vijanden tegenover ons zouden krijgen. De ene boerderij na de andere wordt bezet; het was een brok coŲrdinatie en teamwork. Vanuit een van de boerderijen wordt gevuurd; ons antwoord resulteerde in twee gedode Duitsers, vier gewonden en tien gevangen genomen vijanden. In een van de laatste boerderijen nemen we extra wapens in ontvangst van de militairen. Twee lichte machinegeweren, een zak handgranaten en een grote hoeveelheid kogels moeten we meeslepen naar Zwolle.

In de laatste boerderij vůůr Zwolle treffen we in een kelder een jongeman -Hendrik van Gerner- met zijn moeder en twee andere vrouwelijke familieleden aan. Hij zou een waardevolle hulp voor ons geweest kunnen zijn, maar spreekt geen woord Engels of Frans. Uit de gebarentaal van Hendrik kunnen we opmaken dat de Duitsers aan de andere zijde van de spoorlijn twee linies machinegeweerschutters moeten hebben.


TaalbarriŤre

We blijven twee uur in die boerderij, Hendrik haalt een kaart van Zwolle tevoorschijn en blijkt veel te weten over de verzetsbeweging daar, maar de taalbarriŤre verhindert dat we het naadje van de kous te weten komen. We nemen afscheid van de Van Gerners en komen bij de spoorwegovergang bij Zalne aan. We gluren er over heen en kunnen de donkere contouren zien van veel gebouwen en huizen in de stad Zwolle. We zien duidelijk het gebouw waar we hopen mensen van de ondergrondse aan te treffen. Het is echter veel verder weg dan op de verouderde stafkaart aangegeven was. We spreken af dat ik als eerste zou proberen de eerste huizen van de straat te bereiken. Gaat het goed dan zal Archenault vijf minuten later volgen. Ik ga op weg en hoor plotseling gekletter op de spoorlijn. Willy heeft iets laten vallen.

Gelijktijdig gaat een lange lijn lichtspoormunitie recht op de spoorwegovergang af. Er volgen meer salvo's. Ik begin te rennen en tegelijk te schieten. De Duitsers reageren als bange wezels. Ik keer gelijk terug naar de spoorwegovergang en zie m'n vriend Willy tussen de spoorrails liggen. Hij is er niet best aan toe, is door veel kogels getroffen en uit vele plaatsen in zijn lichaam komt bloed. Ik begrijp dat ik weinig meer voor Willy kan doen. Plotseling hoor ik weer schieten en ben verbluft als ik merk dat het mijn eigen groep soldaten is. En zij mochten in feite hun wapens niet gebruiken voor we terug waren. Ik zie kans om de boerderij te bereiken om ze tot stoppen te manen. Ik ga terug naar Willy en zie dat hij dood is. Mijn besluit staat vast: Ik ga opnieuw naar Zwolle om de Duitsers dwars te zitten. Toen ik bij de spoorwegovergang was hoorde ik nogal wat opschudding in de stad. Waren de Duitsers bezig zich terug te trekken? Ik zou ze flink moeilijkheden gaan bezorgen en als ik geluk had zou ik ook leden van de ondergrondse tegen het lijf lopen.

Mijn plan was eerst het oude gebouw met die hoge schoorsteen te gaan bezoeken, maar ik ga wel via een andere weg Zwolle binnen. Om een uur in de nacht van 13 op 14 april trek ik Zwolle binnen. Tussen twee huizen neem ik rust. Het gewicht dat op mijn rug drukt is zwaar. Ik bedenk dat de beste zet in mijn spel tegen de Duitsers is om in het gebied rond het Zwolse station te komen. Ik ben er van overtuigd dat dŠŠr ook verzetsmensen moeten zijn. 'k Weet dat vanuit Frankrijk en BelgiŽ het grootste deel van het verzet annex is met de spoorwegen. Waarom zou dat in Zwolle niet het geval zijn? Ik ga weer op pad en kom in een brede straat; er is geen streepje licht en geen teken van leven. Het lijkt wel een spookstad. In het laatste huis van de straat, dat leeg staat, doe ik de zak met handgranaten en een van de lichte machinegeweren af.

Ik kijk op de bovenverdieping van het huis naar buiten en zie niet minder dan 25 meter drie Duitsers die de wacht hebben betrokken bij een machinegeweer. Een blik uit het achterraam leert me dat daar Duitsers liggen te slapen. Ik weet dat die bij de eerste de beste aanval zullen vluchten. Ik ga naar buiten en kom achter het huis uit. Zonder ergens op te mikken gooi ik een handgranaat zo ver mogelijk weg. Het resultaat is verbluffend: het geluid van de ontploffende handgranaat in doodstille straat komt de Duitsers als iets onvoorstelbaar voor. De groep bij het machinegeweer reageert het eerst en komt mijn richting op, zeulend met hun last. 't Is voor mij gemakkelijk ze neer te schieten; ze vallen dood neer. De anderen, waarvan enkelen gewond, geven zich aan mij over. Ik charter via de doodsbange Duitsers een wagen, laat ze een wit laken pakken en we gaan op pad naar de overgebleven Canadezen. Bij een kruispunt stap ik uit en geef de Duitsers opdracht door te rijden, met ontstoken lichten en het witte laken zichtbaar. Ik ga terug naar de woning waar ik het grootste gedeelte van mijn bewapening heb achtergelaten.


Angstaanjagend

Bij terugkomst zie ik wat Zwollenaren staan, die echter gewoon in de deuropening blijven staan. Ik moet er nogal angstaanjagend hebben uitgezien, met nog steeds het ooglapje over mijn linkeroog, een camouflagenetje op mijn hoofd en een camouflagepak met opgedroogd bloed. Ik ga naar binnen en haal mijn wapens op. Ik hoop dat de Zwollenaren gaan kletsen en dat er een gerucht verspreid wordt dat er een 'heleboel Canadezen' in de stad zijn. De Duitsers zullen het dan ook wel gauw horen en er mogelijk hun conclusies uit trekken. Weer buiten gekomen hoor ik opnieuw motoren die allen in dezelfde richting gaan. Is de uittocht begonnen?

Ik wijzig mijn plan en ga kris-kras door Zwolle lopen. Ze zullen mij overal en nergens moeten zien, zodat ze denken dat er echt veel Canadezen in de stad zijn. Rond half negen 's morgens moet ik mij in de middenstandsbuurt bevinden.


Stom toeval?

Ik ben doodmoe en wil terug naar de boerderij van Van Gerner. Ik klop bij enkele huizen aan en bij een daarvan gaat de deur open. De man blijkt een ex-officier van het Nederlandse leger te zijn die relaties heeft met de verzetsbeweging. De man legt mij de juiste route naar Van Gerners boerderij uit en ik vertrek. Onderweg loop ik bij stom toeval (was het dat wel?) Frits Kuiper en vier andere leden van het Zwolse verzet tegen het lijf. Ze hebben ergens een auto verborgen die tevoorschijn wordt gehaald. Ik geef m'n extra machinegeweer aan een van de mannen en we beginnen door Zwolle te rijden en vertellen de mensen dat de stad bevrijd is. Ik ga met mijn nieuwe Nederlandse vrienden naar het stadhuis waar even later ook de burgemeester en andere leidinggevende personen komen.


Knettergek

Ik vraag Frits Kuiper of hij een auto met twee van zijn mensen naar de plaats wil sturen waar het dode lichaam van Willy Archenault te vinden is. Ze moeten dit meenemen naar de linies van de ChaudiŤres en daar tevens een boodschap afgeven die ik op papier heb gezet. Hierin heb ik geschreven dat ik nog springlevend ben en dat Zwolle bevrijd is. Korte tijd later komen de uitgezonden mensen teleurgesteld terug. Ze waren onder vuur genomen door de Canadezen aan de rand van de stad. Die mededeling maakt me knettergek. Het doet me pijn opnieuw met het lijk van Willy geconfronteerd te moeten worden, maar de omstandigheden dwingen me ertoe. We gaan op pad en zijn dit keer in staat het lichaam van Willy op te pakken. We leggen het op de motorkap van de auto en ik ga bovenop de auto staan zodat ze me goed kunnen zien.

Het passeren van de Canadese linies levert geen probleem op, evenmin als het bezoek aan de regiments-commandant. Ik breng hem verslag uit over wat er in de laatste tien tot twaalf uur in Zwolle is gebeurt en vertel dat ik weer naar Zwolle terug wil gaan. Ik krijg toestemming enkel dagen bij Frits Kuiper te blijven en voor onze terugtocht naar Zwolle duiken we de keuken in om zoveel voedsel mee te nemen als we denken nodig te zijn. De commandant vertelt dat het regiment verder noordelijk zal trekken en noemt in het bijzijn van de Nederlandse verzetsmensen de namen van een aantal plaatsen. We gaan opnieuw terug naar Zwolle, waar de straten naar het plein uitpuilen van de mensen. Ik toon mij nog eenmaal aan 'het volk' en blijf vervolgens drie dagen in het huis van Frits Kuiper'.


TERUG NAAR ZWOLLE

Na de oorlog werd Leo Major zes maanden behandeld in een ziekenhuis voor oog-en rugletsel. Vervolgens trad hij in dienst van een oliemaatschappij, met werkzaamheden in Canada en Amerika. Hij had moeilijkheden met zich aan te passen aan de burgermaatschappij, waarop hij werd overgehaald naar Korea te gaan. In 1956 maakte hij als paratrooper een lelijke val, werd vervolgens afgekeurd en kwam terecht bij de bewakingsdienst van een scheepsbouwbedrijf. Bij een grote ontploffing op de werf raakte hij zwaar gewond. In 1970, toen Major een bezoek bracht aan Zwolle, was hij werkzaam voor een verzekeringsmaatschappij. Frits Kuiper was in de herfst van 1968 naar canada gevlogen om Major te vinden. Dit gelukte hem via het Leger des Heils, het Veteranenlegioen en het Veteranenhospitaal.

Major had bij zijn bezoek in 1970 aan Zwolle opnieuw een ontmoeting met Hendrik van Gerner en zijn familie. Het bleek dat de Van Gerners ieder jaar sinds Willy Archenault's dood bloemen op diens graf hadden gelegd. Major was vijftien jaar geleden in de Overijsselse hoofdstad op uitnodiging van de stad, die zulke bijzondere banden heeft met deze doodgewone Canadees. Major kwam met zijn vrouw Pauline en kreeg bij die gelegenheid -25 jaar na de bevrijding- van de vroede vaderen van Zwolle een groot-formaat oorkonde, compleet met zegel, uitgereikt. De tekst hiervan luidt: 'Het gemeentebestuur van Zwolle, hoofdstad van de provincie Overijssel, in het Koninkrijk der Nederlanden, wenst hierbij haar grote dankbaarheid te betuigen aan Leo Major, dapper soldaat in geallieerde strijdkrachten van opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower, die op 14 april 1945, met verontachtzaming van het moordend vuur van een wanhopige vijand, verkennend zijn weg door de stad zocht. Hierdoor werd hij de eerste geallieerde militair die voet zette binnen de grenzen van Zwolle. De bedoeling van document is om dit feit voor de historie van deze 800 jaren oude stad vast te leggen'.

Voor zijn dappere prestaties kreeg hij, naast een Nederlandse koninklijke onderscheiding, ůůk de Distinguished Conduct Medal opgespeld. Zijn vriend Wim Bakker uit Meppel, aan wie hij zijn belevenissen schreef en vertelde, voegt daar nog het volgende aan toe: 'Het is jammer dat deze onverschrokken militair nu moet leven van een karig militair pensioen. Zijn grote 'beloning' voor de betoonde moed zijn de dagelijks terugkerende pijnen. Leo Major werd in 1980 geopereerd aan maagkanker, waarbij negentiende van zijn maag werd verwijderd. Na heel erg ziek en zwak te zijn geweest en op het randje van de dood te hebben gebalanceerd, volgde kortgeleden een brief vol hoop voor de toekomst. Overigens komt Leo Major dit jaar voor de viering van het veertigste jaar van de bevrijding wederom naar Zwolle.


DUITSERS OF CANADEZEN, DE PUINHOOP WAS EVEN GROOT
Zwolse BuitsensociŽteit herbergde gevangenen en bevrijders

De Zwolse BuitensociŽteit is door de jaren heen het toneel geweest van vele gebeurtenissen. Leerlingen ploeterden er op hun examens, er werden revues opgevoerd, films gedraaid, bijeenkomsten gehouden en Mussert richtte er eens het woord tot de goe-gemeente. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zagen de bezetters in het ruime gebouw vlakbij het station een mooi strategisch punt voor de huisvesting van de Organisatie Todt. Vele Zwollenaren hebben menig benauwd nachtje in de grote zaal van de soos doorgebracht, wachtend op transport naar Duitsland. De eigenaar van de Buitensoos, een gezelligheidsvereniging, werd al kort na de Nederlandse capitulatie gesommeerd het pand te verlaten. De ruim 450 leden vonden onderdak in de garage van Sietsma aan de Kamperstraat. 'Die stond toch leeg, want nieuwe auto's werden er natuurlijk niet meer verkocht', vertelt ex-Buitensoosbestuurslid C.B. Hoogedoorn over die periode. De garage bleef noodgedwongen een jaar of zes het onderkomen voor de vereniging.

'Als er luchtalarm was zette je de keu aan de kant en maakte dat je wegkwam op je fietsje', weet Hoogendoorn zich nog te herinneren. De tonelen die zich binnen de muren van de Buitensoos afspeelden waren van een heel wat grimmiger karakter. Hoogendoorn blikt tijdens een gesprek, uiteraard in de Buitensoos, terug op die tijd.

We zitten aan een tafel in het restaurant. Keurig opgeruimd, geen mens te zien. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hier eens de Duitsers de scepter zwaaiden en daarna de bevrijders een chaos aanrichtten. Ex-bestuurslid Hoogendoorn kijkt om zich heen, graaft in zijn geheugen, het voorhoofd gefronst. Veertig jaar is lang, zelfs de meest vreselijke herinneringen kunnen vervagen en het meeste heeft hij ook van horen zeggen.

'Het gebouw werd al gauw door de Duitsers gevorderd', zegt hij somber. 'Dat moet in '41 geweest zijn. Waarschijnlijk kam er gewoon een afgezant van de Wehrmacht of zo, die zei dat de leden binnen twee, drie dagen weg moesten wezen. De grote zaal werd door de Organisatie Todt gebruikt om gevangenen onder te brengen. Als je 't ongeluk had om op straat opgepakt te worden en je kon niet aantonen dat je iets belangrijks te doen had en dat gold voor velen in die tijd, werd je meegenomen hier naartoe. Sommigen werden naar Duitsland gestuurd om te werken. Anderen moesten graven. Voorbereidingen voor de bunkerbouw en loopgraven, hier en rond de IJssel. U begrijpt wel wat voor toestanden het hier waren. Op het gebied van hygiŽne en zo. Ze zullen wel wat stro over de vloer hebben uitgespreid, maar voor de rest....'. De Todt-organisatie stond in de Buitensoos onder leiding van ene Schmidt. In een na-oorlogse Zwolsche Courant wordt een aantal regels gewijd aan de Buitensoos als gevangenenbewaarplaats.

'In het schot van het toneel waren toen gaten geboord en daarachter -in de kelder dus- stonden (voor het publiek onzichtbaar) SS-ers met getrokken revolver op de zaal gericht. Voor wie iets tegen meneer Schmidt had en dat wilde uiten'. Hoogendoorn laat zijn ogen over het bericht vliegen en haalt dan weifelend de schouders op. 'Nou het lijkt me sterk, hoor. De SS gebruikte andere methoden. Schoot meteen. Dus of ze achter gaatjes hebben gestaan...'. Volgens Hoogendoorn hebben vele honderden mensen in de Buitensoos gevangen gezeten.

'Ik denk dat er niet veel in geslaagd zijn om te ontsnappen. Omdat er direct werd geschoten, hŤ?' Gedurende de laatste anderhalf ŗ twee jaar van de oorlog, toen met name in het westen van het land werd geteisterd door hongersnood, vervulde de Buitensoos nog een andere functie. Uit de Zwolse burgerij werd een comite gevormd dat voedsel verstrekte aan mensen die om hulp kwamen aankloppen. 'Ze kwamen van heinde en ver. Ontstellend om te zien. Doodmagere vrouwen en kinderen die betrekkelijk zware karren versleepten. Vaak kwamen ze helemaal uit het westen. En dan liepen ze op de terugweg de kans dat NSB-ers alles afpakten nog voor ze de IJsselbrug over waren. Nee, de Duitsers maakten geen bezwaar tegen de voedselverstreking. Die hadden er toch belang bij dat de mensen in leven bleven? Konden ze tenminste werken. Er zijn heel wat gesneuveld tijdens die barre tochten. Voornamelijk vrouwen en kinderen, want er kwamen bijna geen mannen. Die liepen het risico dat ze meteen in de kraag werden gepakt om voor de bezetter te werken'.

De Duitsers werden gevolgd door de Canadese bevrijders, die volgens Hoogendoorn 'een nog grotere puinhoop van het gebouw maakten'. Het nu zo keurige restaurant diende als rommelige mess voor de militairen. De Canadezen bleven nog lang na de bevrijding hangen. De Vereniging moest noodgedwongen nog een paar jaar in de garage van Sietsma bivakkeren. Pas in '46-'47 werd de Buitensoos weer vrijgegeven, wat overigens niet wil zeggen dat de 450 leden er weer in konden trekken. 'Het heeft zeker 2 jaar geduurd voor het gebouw weer was opgeknapt. Het was vervuild en met de inrichting en het meubilair waren noch de Duitsers noch de Canadezen erg zachtzinnig omgesprongen. Er was een soort algemene regeling voor het herstellen van oorlogsschade. Ik meen dat we een uitkering van 3 ton van het Rijk kregen en we hadden zelf nog wat reserves. En dat geld hadden we hard nodig voor de restauratie. We hebben naderhand zelfs stukken van Canadese uniformen in de buizen van de centrale verwarming aangetroffen'.


Zwolle's oorlogsburgemeester jhr.mr.M.P.M. van Karnebeek:
'MOEILIJK WAS HET, HEEL ERG MOEILIJK'

(door Rob van der Heiden)

'Moeilijk was het, heel erg moeilijk'. Dat zegt jonkheer mr. Maurits Peter Marie van Karnebeek die in de -ook voor Zwolle- moeilijke oorlogsjaren burgemeester was van de Overijsselse hoofdstad. Vriendelijk en ontspannen beschrijft de aristocraat de positie van de burgemeester tijdens de bezetting. 'Het was voortdurend zoeken naar het midden tussen het bieden van verzet of het mogelijk maken daarvan en het in stand houden van een werkbare situatie met de Duitsers'. 'In het begin viel het allemaal nogal mee', vertelt de nu 76-jarige oud-burgemeester. 'Toen was het allemaal nog niet zo moeilijk. Ik had goede kontakten met het verzet en kon regelmatig helpen. Als burgemeester probeerde ik voortdurend de belangen van de bevolking in het oog te houden en ik was in de positie dat ik bepaalde maatregelen kon verhinderen. Als voordeel had ik daarbij dat ik gemakkelijk Duits sprak. - Ik denk doordat ik een Duits kindermeisje gehad heb- Dat maakte het overigens aanzienlijk eenvoudiger'.

'Met name met de zogenaamde Beauftragte kon ik goed opschieten. Dit was een welwillend en vriendelijk man, waar goed mee te praten was. Wanneer ik een beroep op hem deed, maakte hij het me vaak mogelijk moeilijkheden op te lossen. Aan het eind van de oorlog heeft deze man me zelfs het leven gered'.


Bevolkingsregister

Hoewel Van Karnebeek -met zekere grenzen- zich van zijn taak kon kwijten zonder moeilijkheden met de Duitsers te krijgen, moest hij toch in september 1944 onderduiken. Hij werd vervangen door een NSB-er. 'Ik ben zelf gematigd niks'. -Toen de bezetter het bevolkingsregister opeiste, gaf hij een aantal gemeenteambtenaren opdracht de boel in de war te gooien. Wetend dat dit zeker niet ongestraft zou blijven dook hij nog dezelfde nacht onder.

'Op de fiets ben ik naar Heino gegaan, waar ik enkele weken gebleven ben. Toen we vermoedden dat mijn onderduikadres daar niet meer geheim was, ben ik naar Vriezenveen gefietst. Daar werd ik toen al snel 'gepikt' en naar Almelo gebracht. Enkele weken voor de bevrijding ben ik door toedoen van de Beauftragte naar het huis van bewaring in Zwolle gebracht. Vlak voordat de Duitsers weggingen, heeft hij er toen voor gezorgd dat ik naar Hattem gebracht werd, waar mijn vrouw was'. De betrokkenheid van Van Karnebeek bij de bevolking van Zwolle wordt geÔllustreerd door het feit dat hij niet in betrekkelijk veilige Hattem het eind van de oorlog afwachtte. Een paar dagen voor de bevrijding ging hij op de fiets de IJsselbrug over en dook in Zwolle onder. 'Ik wist dat de Duitsers van plan waren de IJsselbrug op te blazen', aldus Van Karnebeek. 'En ik wilde beslist in Zwolle zijn wanneer de geallieerden zouden arriveren; Ik wilde weer burgemeester zijn'.


Echtscheiding

Vrijwel direkt nadat de Canadezen Zwolle waren binnengetrokken werd de wens van Van Karnebeek ingewilligd: hij werd beedigd als (waarnemend) burgemeester. Er leek geen vuiltje aan de lucht want hij kon aan de slag in de gemeente waar hij door zijn houding tijdens zijn eerste ambtsperiode mateloos populair geworden was. Uit kranteknipsels uit 1945 blijkt hoe verbaasd iedereen was toen Van Karnebeek vlak na de bevrijding zijn ontslag indiende en kreeg. Nu, veertig jaar na dato, wil hij de vraagtekens die toen door menigeen gezet zijn, best wegpoetsen. 'Het ging in die tijd niet goed met mijn huwelijk. We zijn gescheiden en ik vond dat je als gescheiden burgemeester niet kon blijven zitten. Nu denken de mensen daar misschien anders over, maar ik vind nog steeds dat ik toen de juiste beslissing genomen heb'. 'Jonker Maurits' voegt eraan toe dat hij zich nog vaak afvraagt hoe zijn leven er zou hebben uitgezien wanneer hij in Zwolle gebleven zou zijn. Maar dat betekent niet dat hij er spijt van heeft. 'Ik heb nu een heel afwisselend leven gehad. Ik ben in de Buitenlandse Dienst getreden en ik heb in Moskou, Karachi, Israel -mijn lievelingspost- Oslo en Brussel gewerkt. Dat zou ik niet graag gemist hebben. Daarnaast heb ik de meest uiteenlopende nevenfuncties gehad. Ik vraag me af of ik al die afwisseling ook gehad zou hebben wanneer ik in het binnenlands bestuur gebleven was.'. Voor Van Karnebeek is er -behalve het feit dat het allemaal al erg lang geleden is- nog een reden van de motieven achter zijn ontslagaanvrage destijds geen geheim meer te maken. 'Precies een jaar nadat ik mijn ontslag indiende bij de Commissaris van de Koningin, ben ik in de burgemeesterskamer van het Zwolse stadhuis met dezelfde vrouw hertrouwt', onthuld hij nu.


Fascisme

Over het fascisme zoals dat in de jaren '40-'45 ten grondslag lag aan een oorlog en het fascisme dat in deze tij de kop opsteekt, heeft jonkheer Van Karnebeek een genuanceerde mening. 'Fascisme kan op velerlei gebied ontstaan. Mussulini -en later ook Hitler- hebben in de crisis van de jaren dertig heel veel dingen geregeld, die anders niet voor elkaar waren gekomen. Dat maakte indruk. In de andere landen met een slechte economie, waaronder Nederland, dachten de mensen: is dat niet iets voor ons. Daar komt bij dat de besluitvorming in het parlement veel dingen die de mensen noodzakelijk vonden, vertraagde of verhinderde. Dat had niets te maken met jodenhaat. In deze tijd richt het neo-fascisme zich met name op de buitenlandse werknemers, die ook gebruik maken van de uitstekende sociale voorzieningen in Nederland. Toen waren er -afgezien van een paar gevluchte Duitse joden- geen buitenlanders, dus dat probleem speelde helemaal niet. Ikzelf vind ook dat er zo langzamerhand wel erg veel buitenlanders in Nederland zijn, maar dat mag nog helemaal geen reden zijn voor enig gevoel van rascisme. Er is -met andere woorden- geen parallel te trekken tussen het fascisme van toen en dat van nu; het is een heel ander soort'.